De betrokkene kreeg een boete opgelegd van €250 wegens het niet voor laten gaan van een voorrangsvoertuig, een ambulance, op 16 juni 2021 op de Rijksweg A12 te Utrecht. De bestuurder stelde dat hij de ambulance te laat zag vanwege belemmerd zicht door een busje en dat hij direct daarna naar rechts ging. Hij voerde aan dat er geen wettelijke termijn is waarbinnen men een voorrangsvoertuig moet voor laten gaan en dat hij niet tijdig kon reageren.
Het hof oordeelde dat het ontbreken van een wettelijke termijn niet betekent dat de bestuurder onbeperkte ruimte heeft om te reageren. Van weggebruikers mag worden verwacht dat zij alert zijn op het naderen van voorrangsvoertuigen en hun snelheid aanpassen zodat zij deze kunnen passeren. De omstandigheid dat de bestuurder de ambulance niet tijdig zag en hoorde, blijft voor zijn rekening. Ook zijn schone rijgeschiedenis en hoge kilometrage leiden niet tot matiging van de sanctie.
Verder werd geoordeeld dat het ontbreken van een staandehouding niet leidt tot bewijsnood voor de bestuurder, omdat de sanctie aan de kentekenhouder mag worden opgelegd indien staandehouding niet mogelijk was. De kantonrechter had het beroep ongegrond verklaard en het hof bevestigde deze beslissing, evenals de afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding.