In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel. Betrokkene, een rechtspersoon, is veroordeeld voor meerdere strafbare feiten waaronder overtreding van de Ontgrondingenwet en valsheid in geschrift, gepleegd in de periode 2011-2018. Het hof bevestigde de bewezenverklaring van deze feiten en stelde vast dat betrokkene financieel voordeel heeft genoten uit deze strafbare feiten.
De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van wederrechtelijk verkregen voordeel omdat de schelpenwinning plaatsvond binnen vergunde gebieden en betwistte de berekeningswijze van het voordeel. Het hof verwierp deze verweren en baseerde zich op een rapport waarin het voordeel werd berekend op transactiebasis en op basis van bespaarde kosten door valsheid in geschrift.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €321.209,-. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met bijna drie jaar stelde het hof de betalingsverplichting naar beneden bij tot €290.000,-. Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en deed opnieuw recht, waarbij het de ontnemingsvordering bevestigde en matigde vanwege de termijnoverschrijding.