ECLI:NL:GHARL:2023:2393

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
21 maart 2023
Zaaknummer
200.316.627
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:432 BWArt. 1:449 lid 2 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging weigering opheffing bewind wegens onvoldoende herstel

In deze zaak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter die het verzoek tot opheffing van het bewind heeft afgewezen. Het bewind was in 2017 ingesteld vanwege de lichamelijke en geestelijke toestand van verzoeker, die destijds niet in staat werd geacht zijn financiële belangen zelf te behartigen.

Verzoeker stelde dat zijn situatie was verbeterd: zijn schulden waren vrijwel afgelost, hij had een stabiele relatie en een ondersteunend netwerk, en hij was niet langer kwetsbaar of vergeetachtig. De bewindvoerder betwistte dit en wees op het nog steeds bestaande zorgprofiel en het verleden van financieel misbruik. Het hof oordeelde dat verzoeker onvoldoende had aangetoond dat de oorspronkelijke omstandigheden voor het bewind waren verdwenen, mede omdat geen medische verklaring was overgelegd.

Daarom werd het beroep afgewezen en de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof merkte tevens op dat de procedure niet ziet op vervanging van de bewindvoerder, maar dat medewerking wordt verleend indien een geschikte stiefdochter als bewindvoerder wil optreden.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter en wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.316.627
(zaaknummer rechtbank Gelderland, 9814770)
beschikking van 21 maart 2023
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. G. Kartal te Rotterdam,
en
[verweerder] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. L. de Groot te Leusden.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de zus] ,
verblijvende op een onbekend adres,
verder te noemen: de zus.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector bewind en erfrecht, locatie Zutphen) van 19 juli 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het hof heeft in deze zaak op 27 september 2022 het beroepschrift met producties ontvangen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 2 maart 2023 plaatsgevonden. [verzoeker] is verschenen met zijn advocaat. Namens [verweerder] B.V.
zijn verschenen [de mentor] (mentor) en [de bewindvoerder] (bewindvoerder), bijgestaan door mr. De Groot.
3. De feiten
3.1
De kantonrechter heeft bij beschikking van 16 juni 2017 over alle tegenwoordige en toekomstige goederen die toebehoren aan [verzoeker] een bewind in de zin van artikel 1: 431 van het Burgerlijk Wetboek ingesteld en [verweerder] B.V. tot bewindvoerder benoemd.
3.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 13 april 2022, heeft [verzoeker] verzocht het bewind op te heffen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] afgewezen.
4.2
[verzoeker] is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt primair dat het bewind per direct, dan wel binnen één maand na heden, zal worden
opgeheven. Hij verzoekt subsidiair dat een proeftijd zal worden ingesteld voor een periode van bijvoorbeeld drie of zes maanden, althans een door het hof te bepalen termijn, waarbinnen [verzoeker] zijn eigen financiën zal gaan beheren.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW Pro kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.
5.2
[verzoeker] heeft in zijn beroepschrift en tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het bewind niet langer nodig is. Hij vindt dat hij nu weer in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen: zijn schulden zijn op één na allemaal afgelost, hij heeft al 2 jaar een relatie en woont samen en heeft een netwerk dat hem helpt. Er is volgens [verzoeker] geen sprake meer van vergeetachtigheid en kwetsbaarheid. [verzoeker] vindt ook dat de bewindvoerder zijn taken niet goed uitvoert.
5.3
De bewindvoerder vindt dat het bewind nog niet kan worden opgeheven. Op de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de bewindvoerder verklaard dat de bewindvoerder ziet dat de situatie van [verzoeker] stabieler is geworden. Hij heeft echter nog steeds een Zorgprofiel 3GGZ W en dient volgens de bewindvoerder nog beschermd te worden. In het verleden is [verzoeker] financieel misbruikt en was zijn geheugen een probleem. Niet is gebleken dat die situatie is veranderd. De bewindvoerder ervaart de samenwerking als naar behoren, waarbij ieder jaar rekening en verantwoording wordt afgelegd.
5.4
Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de noodzaak voor het bewind niet langer bestaat of dat voortzetting van het bewind niet langer zinvol is. Omdat het bewind is ingesteld vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van [verzoeker] , is het feit dat er nog maar één (omvangrijke) schuld is, niet zonder meer reden voor opheffing van het bewind. [verzoeker] heeft niet aangetoond, bijvoorbeeld door het overleggen van een verklaring van een arts, dat de lichamelijke of geestelijke toestand die destijds de aanleiding was tot het instellen van het bewind niet meer bestaat. Het hof ziet wel dat het leven van [verzoeker] een positieve wending heeft genomen, maar is van oordeel dat die wending nog geen reden is het bewind op te heffen of om een proefperiode vast te stellen.
5.5
Gelet op wat hiervoor is overwogen faalt de grief. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter moet blijven gelden en zal die beslissing daarom bekrachtigen.
5.6
Ten overvloede merkt het hof op dat onderhavige procedure niet ziet op vervanging van de huidige bewindvoerder. De advocaat van de bewindvoerder heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij medewerking zal verlenen als de stiefdochter van [verzoeker] bereid is als bewindvoerder op te treden en daarvoor geschikt is.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector bewind en erfrecht, locatie Zutphen) van 19 juli 2022.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Feunekes en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 21 maart 2023 uitgesproken door mr. S. Kuijpers in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.