ECLI:NL:GHARL:2023:3512

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 april 2023
Publicatiedatum
25 april 2023
Zaaknummer
200.323.887
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 360 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot schorsing voorlopige zorgregeling wegens ontbreken hoger beroep

In deze zaak heeft de moeder verzocht om schorsing van de voorlopige zorgregeling die door de rechtbank Midden-Nederland op 15 februari 2023 was vastgesteld. Deze voorlopige zorgregeling betrof de omgang en zorg voor de minderjarige kinderen van partijen en was uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De moeder stelde in haar beroepschrift grieven aan tegen de voorlopige zorgregeling en de vastgestelde kinderalimentatie. Echter, in het petitum van haar beroepschrift heeft zij uitsluitend een ander bedrag aan kinderalimentatie gevorderd en geen concreet verzoek gedaan tot wijziging of schorsing van de voorlopige zorgregeling.

Het hof oordeelde dat het ontbreken van een concreet verzoek omtrent de voorlopige zorgregeling betekent dat er geen hoger beroep tegen deze regeling is ingesteld. Op grond van artikel 360 lid 2 Rv Pro kan dan ook geen schorsing van de werking van de voorlopige zorgregeling worden bevolen.

Daarom verklaarde het hof de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de voorlopige zorgregeling. De beschikking werd op 25 april 2023 in het openbaar uitgesproken door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot schorsing van de voorlopige zorgregeling wegens het ontbreken van een hoger beroep tegen die regeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.323.887-02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 527651 en 531112)
beschikking van 25 april 2023 op het verzoek tot schorsing
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.M.J. Zillikens te Hoorn,
en
[verweerder],
zonder woon- of verblijfplaats in Nederland,
verweerder,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. I. Gerrand te Eindhoven.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 februari 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover in deze procedure van belang, een voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen van partijen vastgesteld en de verdere beslissing over de zorgregeling en de vakantieregeling aangehouden en een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming (verder ook: de raad) gelast. De kinderen van partijen zijn:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2017 te [plaats1] ,
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2019 te [plaats2] , en
  • [de minderjarige3] , geboren [in] 2021 te [plaats2] .
De voorlopige zorgregeling luidt als volgt:
  • de man en de kinderen hebben iedere week een videobelmoment op vrijdag en zondag om 16.30 uur;
  • gedurende de eerste drie maanden: de kinderen zijn eens per maand op zaterdag bij de man van 10.00 uur tot 17.00 uur;
  • daarna: de kinderen zijn eens per maand bij de man van zaterdag 10.00 uur tot en met zondag 16.00 uur.
Deze voorlopige zorgregeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en het verzoek tot schorsing

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 10 maart 2023;
- het verweerschrift in het verzoek tot schorsing met producties;
- een journaalbericht van mr. Zillikens van 28 maart 2023 met producties;
- een journaalbericht van mr. Zillikens van 29 maart 2023 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 11 april 2023 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
  • de moeder bijgestaan door mr. L. Schellevis, waarnemend kantoorgenoot voor mr. Zillikens voornoemd;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
Namens de raad voor de kinderbescherming is niemand verschenen.

3.De motivering van de beslissing

3.1
Aan de orde is het verzoek van de moeder de schorsing te bevelen van de werking van de beschikking van 15 februari 2023 ten aanzien van de daarin vastgestelde voorlopige zorgregeling, althans een voorlopige zorgregeling te bepalen die het hof juist acht.
3.2
De vader voert hiertegen gemotiveerd verweer. De advocaat van de vader voert ter zitting aan dat de moeder mogelijk niet ontvankelijk is in haar verzoek, omdat zij in hoger beroep het hof uitsluitend heeft verzocht een ander bedrag als kinderalimentatie vast te stellen, maar niets heeft verzocht op het punt van de voorlopige zorgregeling.
3.3
Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid Pro 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
3.4
De advocaat van de moeder heeft gesteld dat de voorlopige zorgregeling in de beschikking van 15 februari 2023 als een eindbeslissing kan worden aangemerkt en hoger beroep daarom mogelijk is. De moeder voert in haar beroepschrift, tevens verzoek tot schorsing, in de eerste vier grieven aan waarom de door de rechtbank vastgestelde voorlopige zorgregeling volgens haar niet in het belang van de kinderen is. De vijfde grief van de moeder heeft betrekking op de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde kinderalimentatie. Tot slot stelt de moeder dat de voorlopige zorgregeling geschorst moet worden met een nadere onderbouwing, Zij verwijst daarbij naar de inhoud van de eerste vier grieven.
De moeder verzoekt het hof in het petitum van het beroepschrift in het hoger beroep de beschikking van de rechtbank van 15 februari 2023, gedeeltelijk, ter zake van de aspecten waartegen hoger beroep is ingesteld te vernietigen en uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de man een bedrag van € 1.037,33 per kind per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding dient te voldoen, dan wel een beslissing te nemen over de kinderalimentatie die het hof juist acht.
Het hof stelt vast dat de moeder in het petitum van het beroepschrift in hoger beroep geen verzoek ten aanzien van de voorlopige zorgregeling heeft geformuleerd, in die zin dat geen voorlopige zorgregeling of een andere zorgregeling door het hof dient te worden vastgesteld. Het ontbreken van een concreet verzoek van de moeder ten aanzien van de voorlopige zorgregeling in haar hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof tot gevolg dat zij geen hoger beroep tegen de voorlopige zorgregeling heeft ingesteld. Gelet op de inhoud en strekking van artikel 360 lid 2 Rv Pro kan de moeder dan geen schorsing van de voorlopige zorgregeling verzoeken. Zij is daarom niet-ontvankelijk in dit verzoek en het hof beslist als volgt.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.H. Lieber en W.D. Kolkman, bijgestaan door de griffier, en is op 25 april 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.