In deze civiele zaak in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stond de vraag centraal of de vrouw samenwoonde met een derde als ware zij gehuwd, hetgeen gevolgen heeft voor de partneralimentatieverplichting van de man.
Het hof heeft de eerdere tussenbeschikkingen bevestigd en beoordeelde na het horen van getuigen dat de vrouw onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd tegen de voorhands bewezen stelling van samenwoning als gehuwd. Diverse getuigen, waaronder dochters van partijen en buurtbewoners, bevestigden dat de vrouw en de derde een affectieve en duurzame relatie hadden met gezamenlijke huishouding.
De vrouw voerde onder meer aan dat sommige getuigen mogelijk belangenverstrengeling hadden, maar dit werd niet onderbouwd. Het hof oordeelde dat de verklaringen samenhangend en overtuigend waren en ontzenuwde het vermoeden van samenwoning niet. Het verzoek van de vrouw om partneralimentatie werd daarom afgewezen en de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw werd beëindigd.
Daarnaast veroordeelde het hof de vrouw in de kosten van de getuigenverhoren, omdat zij vele getuigen had opgeroepen zonder dat dit tot bewijs in haar voordeel leidde, waardoor de man onnodige kosten heeft moeten maken.
De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd en het meer of anders verzochte werd afgewezen.