ECLI:NL:GHARL:2023:5395

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 juni 2023
Publicatiedatum
27 juni 2023
Zaaknummer
200.315.948
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep smartengeld na opzettelijke mishandeling met blijvend letsel

Op 18 februari 2018 vond een incident plaats waarbij appellant door de bewindvoerder een klap kreeg, waardoor hij viel en ernstig schedelletsel opliep. Dit leidde tot langdurige ziekenhuisopname, een operatie en blijvende cognitieve beperkingen. De rechtbank stelde de bewindvoerder aansprakelijk en kende een schadevergoeding toe, waaronder een smartengeldbedrag van €6.000.

In hoger beroep vorderde appellant een verhoging van het smartengeld tot €25.000 en een correctie van het ingangsmoment van de wettelijke rente. Het hof oordeelde dat het letsel opzettelijk was toegebracht en verhoogde het smartengeld naar €15.000, rekening houdend met een eerder toegekend voorschot van €3.750, zodat €11.250 resteert.

Verder wees het hof wettelijke rente toe over de materiële schadeposten vanaf de juiste ingangsdata en over het smartengeld vanaf 19 februari 2018. De totale materiële schadevergoeding werd vastgesteld op €21.332,07 plus rente vanaf 6 juli 2021. De bewindvoerder werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen en de proceskosten. Het arrest vernietigde het eerdere vonnis voor zover het de schadevergoeding en rente betrof en deed opnieuw recht.

Uitkomst: Het hof verhoogt het smartengeld en wijst wettelijke rente toe vanaf het juiste moment, met veroordeling van de bewindvoerder tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.315.948
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 394216)
arrest van 27 juni 2023
in de zaak van
[appellant],
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de kantonrechter optrad als eiser,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.J. Sneller,
tegen
de stichting
Gelderse Stichting tot beheer en bewindvoering ter bescherming van meerderjarigenin de hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van de heer
[naam1],
die is gevestigd in Arnhem,
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde,
hierna: de bewindvoerder,
advocaat: mr. B. van Treijen.

1.Het verdere verloop van de procedure

Na het tussenarrest van 31 januari 2023 is op 6 juni 2023 een mondelinge behandeling gehouden waarvan een verslag (proces-verbaal) is gemaakt. Daarna is bepaald dat arrest wordt gewezen.

2.De beoordeling in hoger beroep

2.1.
Op 18 februari 2018 heeft een incident plaatsgevonden waarbij [naam1] [appellant] een klap heeft gegeven waardoor [appellant] is gevallen en met zijn hoofd op de grond is terechtgekomen. Hij heeft hierdoor letsel opgelopen. [appellant] vordert in deze procedure de schade die hij daardoor heeft geleden. De rechtbank heeft in het vonnis van 30 maart 2022, onder vernietiging van een verstekvonnis van 18 augustus 2018, voor recht verklaard dat [naam1] onrechtmatig tegenover [appellant] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden, de bewindvoerder veroordeeld om € 23.028,54 uit hoofde van schadevergoeding te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2021 (datum inleidende dagvaarding) en veroordeling tot vergoeding van schade op te maken bij staat voor de schade die [appellant] heeft geleden en zal lijden uit hoofde van de schadeposten economische kwetsbaarheid en verlies aan arbeidsvermogen. In het bedrag van € 23.028,54 zit € 2.250,- aan smartengeld. De rechtbank heeft het totale bedrag aan smartengeld bepaald op € 6.000,- en heeft rekening gehouden met een al door de strafrechter toegekend voorschot op dit bedrag van € 3.750,-.
2.2.
Het hoger beroep is beperkt tot twee onderdelen: [appellant] vindt het toegewezen smartengeld van € 6.000,- te laag. Hij vordert een bedrag van € 25.000,- aan smartengeld (na verrekening van het voorschot € 21.250,-). Daarnaast klopt het ingangsmoment van de wettelijke rente over de diverse schadeposten volgens [appellant] niet. Het hof zal hierna op deze geschilpunten ingaan. Het hof oordeelt net als de kantonrechter dat er geen sprake is van eigen schuld van [appellant] . Het hof verwijst naar hetgeen de kantonrechter heeft overwogen (4.6. tot en met 4.8. van het bestreden vonnis) en neemt dit over.
smartengeld2.3. Het gaat hier om opzettelijk toegebracht letsel als gevolg van een geweldsincident waarvoor [naam1] strafrechtelijk is veroordeeld. [appellant] heeft ernstig traumatisch schedelletsel opgelopen, heeft een operatie moeten ondergaan en is zo’n anderhalve maand opgenomen geweest in het ziekenhuis. Daarna heeft [appellant] langdurig klinisch en later poliklinisch een revalidatietraject gevolgd. Het gehoor aan zijn rechteroor is als gevolg van het incident blijvend met 30% afgenomen. [appellant] heeft ter zitting onbestreden toegelicht dat hij als gevolg van het schedelletsel cognitieve beperkingen ondervindt, met name concentratieproblemen en moeite met het verwerken van informatie. De revalidatiebehandelingen zijn gestopt omdat verbetering niet meer te verwachten valt. Deze cognitieve beperkingen zijn dus waarschijnlijk ook van blijvende aard. [appellant] ondervindt met name van deze cognitieve beperkingen hinder in zijn dagelijks leven, bij zijn studie en bij de uitoefening van zijn hobby’s. Het hof is van oordeel dat gelet op al deze omstandigheden een smartengeldvergoeding van € 15.000,- passend is. Hierbij weegt voor het hof de opzet op het toebrengen van letsel zwaar mee. Op deze vergoeding dient het door de strafrechter toegekende bedrag van € 3.750,- in mindering te worden gebracht waarna een bedrag resteert van € 11.250,-.
wettelijke rente2.4. De rechtbank heeft over de schadevergoeding rente toegewezen vanaf de datum van de inleidende dagvaarding (6 juli 2021). Het door [appellant] gevorderde bedrag aan verschenen rente tot de datum van de inleidende dagvaarding (€ 2.445,19) heeft de rechtbank afgewezen omdat uit dat bedrag niet kon worden afgeleid vanaf welk moment de rente is verschuldigd en omdat van een te hoog bedrag aan smartengeld is uitgegaan.
2.5.
In hoger beroep heeft [appellant] een berekening overgelegd van de per schadepost verschenen rente tot de datum van de inleidende dagvaarding waarbij - behoudens het smartengeld - is uitgegaan van de door de rechtbank vastgestelde en in hoger beroep niet meer ter discussie staande bedragen. De bewindvoerder heeft niet bestreden dat in die berekening van de juiste ingangsdata van de wettelijke rente is uitgegaan. Het hof zal daarom over de hierna genoemde schadeposten de volgende rente toewijzen:
reiskosten [plaats1] - Klimmendaal € 24,20
reiskosten [woonplaats1] - Klimmendaal € 49,22
huishoudelijke hulp € 84,43
studievertraging
€ 467,10+
€ 551,53
2.6.
De wettelijke rente over het smartengeld is verschuldigd vanaf 19 februari 2018 en dat zal zo worden toegewezen.
slotsom2.7. Het hoger beroep treft doel. Het bestreden vonnis zal deels worden vernietigd voor zover in het dictum in 5.3. € 23.028,54 vermeerderd met rente vanaf 6 juli 2021 is toegewezen. Het hof zal de door de rechtbank toegewezen materiële schadeposten (medische kosten, reiskosten, huishoudelijke hulp, zelfwerkzaamheid en studievertraging) optellen. Dat komt neer op € 20.778,54. Daar wordt de rente tot de datum van de inleidende dagvaarding bij opgeteld (€ 551,53) en dat komt uit op
€ 21.332,07.Dat bedrag zal, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2021 worden toegewezen. Daarnaast zal het smartengeld worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente als hiervoor overwogen.
De bewindvoerder zal als de merendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 30 maart 2022, behalve de beslissing onder 5.3., die hierbij wordt vernietigd en doet opnieuw recht;
3.2.
veroordeelt de bewindvoerder om aan [appellant] te betalen wegens geleden materiele schade € 21.332,07 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2021 tot aan de dag van voldoening;
3.3.
veroordeelt de bewindvoerder om aan [appellant] te betalen wegens immateriële schade € 11.250,- als aanvulling op het al door de strafrechter toegekende bedrag van € 3.750,- en vermeerderd met de wettelijke rente over € 15.000,- vanaf 19 februari 2018;
3.4.
veroordeelt de bewindvoerder tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] :
€ 343,- aan griffierecht
€ 2.366,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x appeltarief II);
3.5.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, J. Sap en P.L.R. Wefers Bettink en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2023.