In deze civiele zaak stond centraal of partijen een koopovereenkomst hadden gesloten waarbij naast een woning ook een bedrijfspand en twee omliggende percelen werden verkocht. De appellant stelde dat er afspraken waren gemaakt over een samenhangende koop van woning, bedrijfspand en percelen voor een totaalbedrag van €280.000, waarbij de levering van het bedrijfspand en percelen later zou plaatsvinden.
Het hof heeft uitgebreid bewijs, waaronder verklaringen van twaalf getuigen en de notaris die conceptkoopovereenkomsten had opgesteld, beoordeeld. Hoewel sommige verklaringen, met name die van de notaris, erop wezen dat de percelen onderdeel van de verkoop waren, was er onvoldoende zekerheid dat de geïntimeerden hiermee hadden ingestemd. Diverse getuigen en de notaris gaven aan dat de percelen mogelijk pas na het overlijden van de verkopers zouden worden overgedragen.
De rechtbank had eerder de vorderingen van appellanten afgewezen en het hof bekrachtigt dit vonnis. Het hof oordeelde dat de bewijswaardering niet toereikend was om de stelling van appellanten te ondersteunen. Appellanten werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Daarmee blijft het standpunt van de geïntimeerden dat de percelen niet zijn verkocht, gehandhaafd.