Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.De procedure in eerste aanleg
2.De procedure in hoger beroep
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 december 2022;
- het verweerschrift.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen hadden een affectieve relatie waaruit een minderjarige is geboren die bij de vrouw woont. De man en vrouw waren overeengekomen dat de man vanaf 1 november 2018 maandelijks €400 aan kinderalimentatie zou betalen. De man betwistte het bestaan van een overeenkomst en stelde dat hij slechts tijdelijk dit bedrag betaalde zolang hij begeleid woonde en de vrouw in schuldsanering zat.
Het hof oordeelde dat de afspraak wel degelijk bestond en dat de man dit bedrag betaalde zolang hij daartoe in staat was. Er was geen voldoende bewijs voor de door de man gestelde aanvullende voorwaarden. Vervolgens beoordeelde het hof de overeengekomen alimentatie aan de hand van de wettelijke maatstaven en constateerde een grove miskenning hiervan, omdat de overeengekomen bijdrage aanzienlijk hoger was dan de vastgestelde behoefte van de minderjarige.
De rechtbank had de behoefte vastgesteld op €141 per maand in 2014, geïndexeerd naar circa €149 in 2018 en €152 in 2019. Het hof wijzigde de alimentatie overeenkomstig deze behoefte voor de periode 1 november 2018 tot 1 oktober 2019. Vanaf 1 oktober 2019 stelde het hof de bijdrage op nihil wegens het ontbreken van draagkracht bij de man, gelet op zijn inkomen en aanzienlijke schuldenlast. De man had geen terugvordering van teveel betaalde bedragen gevorderd. De proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: De kinderalimentatie wordt gewijzigd naar de wettelijke behoefte van circa €150 per maand tot oktober 2019 en vanaf die datum op nihil gesteld wegens gebrek aan draagkracht.