Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de belastingheffing over 2017 in box 3 moest worden gebaseerd op het werkelijk behaalde rendement, in aansluiting op het kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Het geschil betrof tevens de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor een appartement in Frankrijk.
Het Hof oordeelde dat het forfaitaire rendement uit de Wet IB 2001 en de Wet rechtsherstel box 3 in deze zaak niet tot een vermindering van de aanslag leiden. Daarom moet het werkelijk behaalde rendement worden gehanteerd, waarbij alleen daadwerkelijke inkomsten zoals rente, huur en dividend worden belast, niet ongerealiseerde waardestijgingen.
Belanghebbende maakte aannemelijk dat het Franse appartement voor eigen gebruik was en niet werd verhuurd, waardoor het rendement daarop nihil werd vastgesteld. Kosten voor het appartement werden niet als aftrekbaar erkend. Het werkelijk rendement werd vastgesteld op € 11.709, bestaande uit bankrente en opbrengsten van Nederlandse onroerende zaken minus kosten.
De aanslag werd verminderd met € 792 tot een belastingbedrag van € 3.512. De overige gronden van belanghebbende over de aftrek dubbele belasting faalden omdat de heffing over het appartement nihil was. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van € 4.062,50.