Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant had een affectieve relatie met de erflaatster en sloot met haar een samenlevingsovereenkomst. Op 21 november 2020 ontving appellant een aangetekende brief waarin de erflaatster de samenlevingsovereenkomst per direct beëindigde. Kort daarna overleed de erflaatster door een val van de trap.
De dochter van de erflaatster, geïntimeerde, vorderde dat de beschikkingen ten behoeve van appellant uit het testament op grond van de vervalbeschikking vervallen en dat zij erfgenaam is. De rechtbank oordeelde dat de samenlevingsovereenkomst was beëindigd en dat appellant geen erfgenaam is. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat de brief daadwerkelijk door appellant is ontvangen en dat de inhoud een onmiddellijke beëindiging van de samenlevingsovereenkomst beoogt. De uitleg van appellant dat de beëindiging pas zou ingaan bij het niet betalen van een schuld is niet gevolgd. Het hof bevestigde dat de vervalbeschikking uit het testament van toepassing is, waardoor appellant geen erfgenaam is geworden.
Het hoger beroep slaagt niet en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van geïntimeerde, maar een volledige proceskostenvergoeding wordt niet toegekend vanwege het recht op toegang tot de rechter.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd waarbij appellant geen erfgenaam is.