Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond centraal of bedragen die van de bankrekening van de geïntimeerde naar de appellant zijn overgemaakt, als schenking of lening moeten worden gekwalificeerd. De geïntimeerde vorderde betaling van € 25.000,- vermeerderd met rente, terwijl appellant stelde dat het om giften ging. Het hof stelde vast dat appellant een deel van het bedrag erkent verschuldigd te zijn en dat de overige bedragen als lening moeten worden beschouwd, mede gelet op correspondentie en gedragingen van partijen.
Appellant voerde tevens verjaring aan voor bedragen uit 2015, maar het hof oordeelde dat de verjaringstermijn pas in 2021 begon te lopen toen geïntimeerde voor het eerst aanspraak maakte op terugbetaling. De termijn van vijf jaar was derhalve niet verstreken. Nieuwe stellingen van appellant over opschortende voorwaarden werden niet in behandeling genomen vanwege strijd met de tweeconclusieregel.
Het hoger beroep slaagde niet, het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd en appellant werd veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het hof zag geen aanleiding tot compensatie van proceskosten ondanks de familieband tussen partijen. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant tot betaling van € 25.000,- plus proceskosten.