Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden(hierna: de Inspecteur)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Vaststaande feiten
Inkomsten uit overig werk: PGB en kosten
exclusiefBTW gedeeld door de brandstofprijs per liter in 2017. Voor de hoogte van deze prijs heb ik het CBS geraadpleegd. Aangezien er sprake is van een auto op benzine(€ 1,552) en op LPG (0,633), heb ik hiervan het gemiddelde genomen € 1,0925. Het totaal aantal verbruikte liters komt hiermee op: € 2369,36 / € 1,0925 = 2168,76 liter.
1575,-
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
[Hof: zie 2.3]. In zijn opstelling voor de suppletie voor de omzetbelasting voor de tijdvakken in het jaar 2017 heeft eiser zelfs nog een hoger bedrag aan omzet van in totaal € 25.359
[Hof: zie 2.10]vermeld. Partijen verschillen voor de resultaatbepaling enkel van mening over het antwoord op de vraag of de omzet moet worden verminderd met een bedrag van € 20.500 in verband met de onder
[Hof: 2.8 en 2.9]vermelde creditnota’s en/of met een hoger bedrag aan kosten dan het bedrag van € 3.715 waar verweerder van uit is gegaan.
[Hof: 2.8 en 2.9]. De omstandigheid dat de creditnota aan [naam8] in de administratie van. [naam8] is verwerkt, zoals eiser ter zitting heeft verklaard, maakt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat aan het realiteitsgehalte van die nota niet hoeft te worden getwijfeld. De administratie van [naam8] heeft eiser zelf opgesteld. De rechtbank kent daarom aan hetgeen eiser over de administratie van [naam8] heeft verklaard geen bewijswaarde toe.
[Hof: 2.8 en 2.9]genoemde creditnota’s zou accepteren. De acceptatie van creditnota’s in voorgaande jaren zegt immers niets over de realiteitszin van de creditnota’s in latere jaren, die verweerder nu betwist.
5.Griffierecht en proceskosten
6.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).