De zaak betreft een geschil tussen de vier kinderen van een overleden boer over de afwikkeling van de maatschap en de verdeling van de nalatenschap. Vader was ongehuwd en had geen testament, waardoor de kinderen ieder een gelijk erfdeel hebben. Vader en appellant waren samen een maatschap aangegaan met een overnemingsbeding dat voorschreef dat bij overlijden binnen zes maanden schriftelijk een beroep op het voortzettingsrecht moest worden gedaan.
Appellant heeft dit beroep niet tijdig gedaan en stelde dat de vervaltermijn op grond van redelijkheid en billijkheid niet mocht worden toegepast. Het hof oordeelde echter dat appellant niet voldeed aan zijn stelplicht om deze uitzondering te onderbouwen en dat de vervaltermijn terecht werd toegepast. Ook andere grieven van appellant over de verdeling en voortzetting van de maatschap werden afgewezen.
Het kortgeding waarin appellant een executieverbod wilde, werd eveneens afgewezen omdat de boerderij inmiddels was verkocht. Het hof bekrachtigde de vonnissen van de rechtbank en veroordeelde appellant tot betaling van de proceskosten van geïntimeerden.