De betrokkene kreeg een sanctie van €340 opgelegd wegens het niet afsluiten en in stand houden van de vereiste verzekering voor een bromfiets op 19 november 2018. De gemachtigde voerde aan dat de gedraging niet vaststaat omdat het zaakoverzicht geen op ambtseed of ambtsbelofte gebaseerde verklaring bevatte en betwistte de bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie oplegde.
Het hof oordeelde dat de bevoegdheid van de ambtenaar niet ter discussie staat, aangezien zij werkzaam was bij de afdeling Handhaving en beëdigd was als buitengewoon opsporingsambtenaar. De mandatering van de beslissing op administratief beroep door de officier van justitie was rechtsgeldig en de hoorplicht was niet geschonden omdat de gemachtigde verzocht had om telefonisch gehoord te worden maar niet op de oproepen reageerde.
De gedraging werd geautomatiseerd vastgesteld via RDW-registercontrole, wat volgens het hof voldoende is voor constatering van de overtreding. De procedure duurde langer dan de redelijke termijn, waardoor het hof de sanctie matigde met 25%. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend aan de betrokkene.
Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter, verklaarde het beroep tegen de officier van justitie gegrond en wijzigde de sanctie in €255. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €837.