ECLI:NL:GHARL:2023:8678

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 oktober 2023
Publicatiedatum
17 oktober 2023
Zaaknummer
Wahv 200.313.297/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:3 AwbArt. 7:19 AwbArt. 11 WahvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor niet verzekeren bromfiets

De betrokkene kreeg een sanctie van €340 opgelegd wegens het niet afsluiten en in stand houden van de vereiste verzekering voor een bromfiets op 19 november 2018. De gemachtigde voerde aan dat de gedraging niet vaststaat omdat het zaakoverzicht geen op ambtseed of ambtsbelofte gebaseerde verklaring bevatte en betwistte de bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie oplegde.

Het hof oordeelde dat de bevoegdheid van de ambtenaar niet ter discussie staat, aangezien zij werkzaam was bij de afdeling Handhaving en beëdigd was als buitengewoon opsporingsambtenaar. De mandatering van de beslissing op administratief beroep door de officier van justitie was rechtsgeldig en de hoorplicht was niet geschonden omdat de gemachtigde verzocht had om telefonisch gehoord te worden maar niet op de oproepen reageerde.

De gedraging werd geautomatiseerd vastgesteld via RDW-registercontrole, wat volgens het hof voldoende is voor constatering van de overtreding. De procedure duurde langer dan de redelijke termijn, waardoor het hof de sanctie matigde met 25%. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend aan de betrokkene.

Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter, verklaarde het beroep tegen de officier van justitie gegrond en wijzigde de sanctie in €255. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €837.

Uitkomst: De sanctie voor het niet verzekeren van de bromfiets wordt gematigd tot €255 en de proceskosten van €837 worden aan de betrokkene toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.313.297/01
CJIB-nummer
: 222510558
Uitspraak d.d.
: 17 oktober 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 12 mei 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft – na terugwijzing door het hof – het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 340,- opgelegd voor: “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 19 november 2018 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Hij voert daartoe aan dat uit het -niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte- zaakoverzicht op geen enkele wijze blijkt dat het voertuig van de betrokkene op voornoemde datum onverzekerd was. Een verklaring van een ambtenaar is in het zaakoverzicht niet opgenomen, slechts het BSN-nummer van de betrokkene en een batchnummer. De gemachtigde acht het onjuist dat een gedraging kan worden vastgesteld zonder dat daaraan een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte verklaring ten grondslag ligt en meent dat het hof met het oog op de aan de betrouwbaarheid van verklaringen te stellen eisen zijn jurisprudentie, waarmee een te grote afstand ontstaat met strafvorderlijke bewijsregels, moet herzien. Verder bestrijdt de gemachtigde de bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Uit het ‘Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 september 2011, nr. 5708409/Justis/11, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de Rijksdienst voor Wegverkeer’, blijkt dat personen die werkzaam zijn in de functie van medewerker uitvoering S5-S8 zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Uit openbaar te raadplegen personeelsbescheiden blijkt dat de ambtenaar in deze zaak is aangesteld in de functie van ‘Medewerkster KCC’. Nu de ambtenaar niet is aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar, was zij niet bevoegd om tot sanctieoplegging over te gaan. Verder voert de gemachtigde aan dat in artikel 10:3, tweede lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat de officier van justitie niet bevoegd is zijn bevoegdheid tot het vernietigen van besluiten van een ander bestuursorgaan te mandateren. Hieruit volgt dat de officier van justitie zijn bevoegdheid tot het geven van een beslissing op een administratief beroep niet kan mandateren aan een derde. Nu de officier van justitie zijn bevoegdheid tot het geven van een beslissing op het administratief beroep heeft gemandateerd aan medewerkers van Parket CVOM is gehandeld in strijd met het mandaatverbod. Daarnaast stelt de gemachtigde dat de beslissing van de officier van justitie ondeugdelijk is gemotiveerd en dat de hoorplicht is geschonden. Volgens de gemachtigde had de officier van justitie hem in de gelegenheid moeten stellen om in persoon te worden gehoord.
3. De grond van de gemachtigde dat de ambtenaar van het Parket CVOM niet bevoegd was om te beslissen op het administratief beroep, treft geen doel. Namens de officier van justitie wordt op administratief beroepschriften beslist door medewerkers die daartoe via mandaat en ondermandaat zijn aangesteld (vgl. ECLI:NL:GHARL:2016:9412, gepubliceerd op rechtspraak.nl). In het tweede lid van artikel 10:3 is Pro een aantal uitzonderingen gemaakt op het toestaan van het verlenen van mandaat. Het nemen van een beslissing op administratief beroep behoort (sinds 1 januari 2013) niet (meer) tot die uitzonderingen. In artikel 10:3, tweede lid, onder c, van de Awb is bepaald dat mandaat niet mag worden verleend indien het betreft een bevoegdheid tot het vernietigen van een besluit van een ander bestuursorgaan. Deze uitzondering heeft betrekking op Titel 10.2 van Hoofdstuk 10 van de Awb. Artikel 10:33 Awb Pro bepaalt dat afdeling 10.2.2. ("Vernietiging") van toepassing is indien een bestuursorgaan bevoegd is
buiten administratief beroepeen besluit van een ander bestuursorgaan te vernietigen. Daarvan is hier geen sprake.
4. Met betrekking tot de grond van de gemachtigde dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden, overweegt het hof het volgende. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde namens de betrokkene administratief beroep heeft ingesteld en hierbij heeft verzocht om te worden gehoord. Naar aanleiding van een toegezonden antwoordformulier, heeft de gemachtigde bij schrijven van
19 april 2019 aan de CVOM bericht een telefonische hoorzitting te wensen en verzocht deze te laten plaatsvinden op 28, 29 of 30 mei 2019 tussen 15.00 uur en 17.00 uur. Daarbij heeft de gemachtigde opgemerkt deze data tot zeven dagen na dagtekening van het schrijven gereserveerd te houden in afwachting van een antwoord. Bij schrijven van 24 april 2019 heeft de CVOM aan de gemachtigde bericht dat de telefonische hoorzitting zal plaatsvinden op 29 mei 2019 om 15.00 uur. Deze brief is op 24 april 2019 aangetekend aan de gemachtigde verzonden. Uit het hoorverslag blijkt dat op
29 mei 2019 om 15.00 uur, 15.10 uur en om 15.12 uur is getracht telefonisch contact te krijgen met de gemachtigde. Dit is niet gelukt. Vervolgens heeft de officier van justitie een beslissing genomen, zonder de gemachtigde te hebben gehoord.
5. Artikel 7:19, derde lid, van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat het horen in het openbaar geschiedt tenzij het bestuursorgaan op verzoek van een belanghebbende anders beslist.
6. Telefonisch horen kan worden beschouwd als een andere wijze van horen dan horen in het openbaar. In procedures als deze bestaan tegen deze wijze van horen geen overwegende bezwaren indien zowel de officier van justitie als de indiener van het beroepschrift daarmee instemmen en het horen voldoende zorgvuldig geschiedt (vgl. ECLI:NL:GHARL:2020:4789, gepubliceerd op rechtspraak.nl).
7. In deze zaak heeft de gemachtigde bij de officier van justitie verzocht om telefonisch gehoord te worden. De officier van justitie heeft met dit verzoek ingestemd. De gemachtigde heeft drie data en tijdstippen genoemd waarop hij telefonisch gehoord zou kunnen worden. Bij aangetekende brief heeft de officier van justitie de gemachtigde laten weten in te stemmen met een door hem voorgestelde datum. Naar het oordeel van het hof heeft de officier van justitie de gemachtigde voldoende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De gemachtigde had daar gebruik van kunnen maken, maar heeft op de telefonische oproepen niet gereageerd. Die omstandigheid dient voor zijn rekening te komen. Deze grond van de gemachtigde faalt.
8. Verder is het hof niet gebleken dat de officier van justitie het motiveringsbeginsel heeft geschonden. De officier van justitie heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door de gemachtigde aangevoerde beroepsgronden niet slagen. Dat voor de motivering van de beslissing gebruik is gemaakt van standaard tekstblokken, maakt niet dat een beslissing niet deugdelijk is gemotiveerd. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat in de beslissing van de officier van justitie ten onrechte is vermeld dat de ambtenaar werkzaam is bij het CJIB. Het hof beschouwt deze vermelding als een kennelijke misslag. Deze onzorgvuldigheid maakt niet dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.
9. Voor zover de gemachtigde heeft aangevoerd dat de ambtenaar niet bevoegd was tot sanctieoplegging, overweegt het hof het volgende. Het door de gemachtigde aangehaalde Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar RDW 2011 was ten tijde van de sanctieoplegging niet van toepassing. Destijds was het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar RDW 2016 van toepassing. In artikel 2 van Pro dit Besluit is opgenomen dat personen die werkzaam zijn op de unit Handhaving bij de Dienst Wegverkeer zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.
10. Uit het zaakoverzicht volgt dat de oplegging van de sanctie kan worden toegerekend aan de ambtenaar van de RDW met personeelsnummer [nummer] . Gegevens over deze ambtenaar zijn ingevolge het Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 26 april 2016, strekkende tot openbaarmaking van documenten betreffende de buitengewoon opsporingsambtenaren werkzaam bij de RDW (Stcrt. 22374, 2 mei 2016) thans te vinden op opendata.rdw.nl. De gemachtigde heeft een aanstellingsbrief d.d. 29 september 2015 en een akte van beëdiging d.d. 22 september 2016 betreffende de ambtenaar met nummer [nummer] in de procedure gebracht. Uit de overgelegde aanstellingsbrief blijkt dat de ambtenaar per 12 oktober 2015 in dienst is getreden in de functie van ‘Medewerkster KCC’. Na raadpleging van de bestanden op opendata.rdw.nl betreffende de ambtenaar met personeelsnummer [nummer] is het hof gebleken dat de ambtenaar vervolgens vanaf
1 mei 2016 werkzaam was op de afdeling HH (het hof begrijpt: handhaving). Per 15 juni 2018 is zij in vaste dienst aangesteld bij de afdeling “R&I- Handhaving Team A”. Nu de ambtenaar ten tijde van het opleggen van de sanctie werkzaam was bij de afdeling Handhaving en daarbij in aanmerking genomen dat zij was beëdigd tot buitengewoon opsporingsambtenaar, ziet het hof in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar.
11. Onderhavige gedraging is op geautomatiseerde wijze vastgesteld, door middel van registercontrole waarbij verschillende door de RDW beheerde registers met elkaar worden vergeleken. Indien - na verschillende tussenstappen - geconstateerd wordt dat voor een voertuig geen verzekering krachtens de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen geldt, wordt, automatisch, een overdrachtsbestand gemaakt waarin zijn opgenomen de gegevens over de gedraging, de kentekenhouder en het sanctiebedrag (vgl. ov. 10 van het arrest van 5 juni 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4324). Deze gegevens staan op pagina 1 van het zaakoverzicht. Zoals het hof in zijn arrest van 5 november 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:9465 heeft geoordeeld, volstaat dit voor de constatering dat deze (automatisch vastgestelde) gedraging is verricht. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om zijn jurisprudentie te herzien.
12. Verder heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat de procedure te lang heeft geduurd en dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. Artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt onder meer dat de behandeling van een zaak plaatsvindt binnen een redelijke termijn. Van schending van de redelijke termijn van berechting is sprake wanneer de procedure in eerste aanleg - inclusief het administratief beroep - langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld.
13. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Een eerdere beslissing van de kantonrechter van 22 mei 2020 heeft het hof bij arrest van 7 december 2021 vernietigd en daarbij de zaak teruggewezen waarna bij beslissing van de kantonrechter van 12 mei 2022 de procedure in eerste aanleg tot een einde is gekomen. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 28 juli 2023, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369, zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent.
14. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dat heeft geleid tot het arrest van 7 december 2021, dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 837,-.
15. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 255,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 837,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.