Belanghebbende, bestaande uit twee B.V.'s die als fiscale eenheid voor de omzetbelasting zijn aangemerkt, betwist de ambtshalve vastgestelde teruggaaf omzetbelasting over 2018 van € 8.606 door de Inspecteur. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd omdat het ging om een ambtshalve vermindering waartegen geen rechtsmiddelen openstaan.
Het Hof oordeelt dat de rechtbank ten onrechte onbevoegd was. De teruggaafbeslissing is geen belastingaanslag of voor bezwaar vatbare beschikking, maar wel een ingevolge belastingwet genomen besluit waartegen beroep mogelijk is. Het beroep had daarom niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in plaats van onbevoegd.
Belanghebbende betoogt dat deze niet-ontvankelijkverklaring in strijd is met Unierechtelijke beginselen, maar het Hof volgt het vaste EU-rechtspraak dat nationale procedurele autonomie geldt mits de toegang tot de rechter reëel blijft. Het onderscheid tussen naheffingsaanslag en ambtshalve teruggaaf is gerechtvaardigd.
Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de proceskosten en griffierecht betreft en veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van in totaal € 2.208. Voor het overige bevestigt het Hof de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door het Hof op 24 oktober 2023 na behandeling van het hoger beroep, waarbij partijen zijn gehoord en processtukken zijn bestudeerd.