Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
die een verzoek in hoger beroep doet,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
- de man een vergoedingsrecht toekomt jegens de gemeenschap van € 6.700;
- de man een vergoedingsrecht toekomt jegens de vrouw van € 3.291, voor zover de
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
primairvoor zover dat ziet op toedeling van de woning aan de vrouw. Op dat deel van het verzoek van de vrouw in hoger beroep is door de rechtbank bij beschikking van 12 oktober 2022 al beslist, en in zoverre is die tussenbeschikking voor wat betreft dit onderdeel een eindbeschikking op grond waarvan binnen drie maanden na 12 oktober 2022 hoger beroep had moeten worden ingesteld. Het hoger beroepschrift van de vrouw dateert van 24 april 2023 en is dus buiten de termijn ingediend. Omdat van een verschoonbare termijnoverschrijding niet is gebleken zal het hof de vrouw ten aanzien van dat deel van haar beroep (grief XV) niet-ontvankelijk verklaren.
ten behoeve vande eenvoudige gemeenschap. De onderlinge schuld is echter geen schuld die ten behoeve van de gemeenschap, en dus ten behoeve van beide deelgenoten is aangegaan, maar juist ten behoeve van één van hen. In de literatuur wordt eveneens bepleit dat de schuld aan de deelgenoot die meer heeft ingebracht niet kwalificeert als een schuld betreffende voorhuwelijkse gemeenschapsgoederen in de zin van art. 1:94 lid 7 BW Pro en daarom, net zoals de vordering van de deelgenoot die meer heeft ingebracht, niet tot de gemeenschap behoort. Het hof sluit zich bij die opvatting aan. Dit betekent dat de schuld van de vrouw aan de man niet in de gemeenschap is gevallen.