Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
(…).’
onderdeel 3wordt betoogd dat het hof in rov. 5.13 e.v. ten onrechte onbesproken heeft gelaten de stelling van de vrouw dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man voor een bedrag van € 31.627,50 uit hoofde van de voorhuwelijkse financiering van de koop van het stuk grond bij de woning (hierna: de grond) uit het privévermogen van de vrouw. Voor zover het hof in deze stelling van de vrouw geen grief heeft gelezen, heeft het hof volgens het middel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof in rov. 5.15 wel acht zou hebben geslagen op deze stelling van de vrouw, is dat oordeel volgens het middel onvoldoende gemotiveerd. Ik meen dat deze klacht terecht is voorgesteld en leg dat als volgt uit.
(…)