2.1.De Rechtbank is bij haar beslissing uitgegaan van de volgende feiten (in de uitspraak van de Rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als “eiser” en de Inspecteur als “verweerder”):
“1. Eiser en zijn partner, [de partner] (de partner), waren tot 28 mei 2018 woonachtig aan de [adres2] te [plaats1] (de oude woning). Deze woning werd tot deze datum aangemerkt als eigen woning. Eiser en zijn partner hebben in 2018 een nieuwe woning gekocht. De woning aan de [adres1] te [woonplaats] (de nieuwe woning) wordt vanaf 28 mei 2018 aangemerkt als eigen woning.
2. Eiser heeft op 31 maart 2019 aangifte IB/PVV 2018 gedaan. Het hierin opgenomen verzamelinkomen bedroeg € 17.600 en bestond uitsluitend uit belastbaar inkomen uit werk en woning. Het saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning bedroeg - € 44.188 (namelijk een eigenwoningforfait van € 1.447 verminderd met renten van schulden en kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld van € 45.635).
3. Op respectievelijk 3 september 2020 en 30 september 2020 heeft verweerder naar aanleiding van de door de partner ingediende aangifte IB/PVV 2018 aan haar verzoeken om informatie verzonden.
4. Verweerder heeft op 1 oktober 2020 overeenkomstig de ingediende aangifte de definitieve aanslag, automatisch en zonder inhoudelijke beoordeling, aan eiser opgelegd.
5. In een reactie op de verzoeken om informatie, heeft verweerder op respectievelijk 19 oktober 2020 en 21 oktober 2002 nadere stukken van eiser en zijn partner ontvangen. De overgelegde stukken betreffen: de notariële nota van de nieuwe woning, de taxatienota van de nieuwe woning, de bouwtechnische nota van de nieuwe woning, de koopovereenkomst van de nieuwe woning, de notariële nota van de oude woning, de courtagenota van de oude woning, de koopovereenkomst van de oude woning en het echtscheidingsconvenant. Verweerder heeft op basis van deze stukken geconcludeerd dat eiser en zijn partner in de ingediende aangiften IB/PVV 2018 kosten in aftrek hebben gebracht die niet zijn gemaakt. Eiser en zijn partner hebben een aantal kosten namelijk meerdere malen in aftrek gebracht.
6. De op 21 oktober 2020 ontvangen informatie is door verweerder aangemerkt als een nieuw feit dat navordering bij eiser rechtvaardigt. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 is het verzamelinkomen bepaald op € 29.753 en bestaat uitsluitend uit belastbaar inkomen uit werk en woning. Het saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning is bepaald op - € 19.882 (namelijk het eigenwoningforfait van € 1.447 verminderd met renten van schulden en kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld van € 21.329).
7. Verweerder heeft, na een inhoudelijke beoordeling, op 3 december 2020 de definitieve aanslag IB/PVV 2018 aan de partner opgelegd.”