Partijen waren gehuwd van 1982 tot 2007 in algehele gemeenschap van goederen. Na diverse procedures bereikten zij in 2009 een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarbij de man de woning en hypotheekschulden op zich nam. De vrouw werd echter niet ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid door de bank. De man sloot in 2015 een beëindigingsovereenkomst en loste een deel van de hypotheek af.
De vrouw was vanwege haar gezondheidstoestand afhankelijk van het inkomen van de man. Na de echtscheiding kreeg zij recht op een deel van het pensioen van de man vanaf 2018. De man betaalde vanaf 2021 pensioenverevening, maar stelde dat zij afstand had gedaan van dit recht. De rechtbank veroordeelde hem tot betaling van een bedrag plus rente en maandelijkse termijnen.
In hoger beroep betoogde de man dat de Wet verevening pensioen bij scheiding (Wvps) niet van toepassing was vanwege het ontbreken van gezamenlijke inspanning en dat bijzondere omstandigheden toepassing van de wet onaanvaardbaar maakten. Het hof oordeelde dat de wet geen actieve bijdrage van de andere echtgenoot vereist en dat de vrouw door haar gezondheidstoestand afhankelijk was. Er waren geen afspraken over afstand van pensioenverevening en geen rechtsverwerking. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde de man in de kosten.