Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 956 na een onderzoek naar de waardebepaling van zijn Ford Focus. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond maar kende belanghebbende een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het hof oordeelde dat de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het BPM-bedrag dat voor de te registreren auto met een CO2-uitstoot van 132 gr/km verschuldigd was, niet op dat van een referentieauto met 130 gr/km. Tevens werd geoordeeld dat een afwijkende CO2-uitstoot in het algemeen een waardeverhogende invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt.
Belanghebbende slaagde erin aannemelijk te maken dat de handelsinkoopwaarde van zijn auto met 132 gr/km gelijk is aan die van de referentieauto met 130 gr/km. Het hof verwierp het betoog van de Inspecteur dat de auto essentiële gebreken vertoonde die waardevermindering rechtvaardigden, omdat de RDW de auto had goedgekeurd zonder WOK-status.
Het hof vernietigde de uitspraken van de rechtbank en Inspecteur, stelde de naheffingsaanslag vast op € 943, en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd de aanslag verminderd en de kosten van belanghebbende vergoed.