In deze zaak stond de vraag centraal of bij de vaststelling van de handelsinkoopwaarde van een gebruikte personenauto met schade rekening mag worden gehouden met een waardevermindering wegens het ontbreken van een Nederlandstalig instructieboekje. De Rechtbank Gelderland had dit toegestaan en het Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde dit oordeel. De Inspecteur stelde dat deze waardevermindering al was verdisconteerd in de gebruikte koerslijst, maar het Hof oordeelde dat dit niet het geval was.
De Hoge Raad overwoog dat de taxatiemethode op grond van de Wet BPM 1992 inhoudt dat een onafhankelijke taxateur de handelsinkoopwaarde schat, waarbij een koerslijst slechts als uitgangspunt dient. Bijzondere kenmerken zoals het ontbreken van een Nederlandstalig instructieboekje kunnen leiden tot een waardedruk die niet in de koerslijst is verwerkt en dus apart in aanmerking moet worden genomen.
De Hoge Raad verwierp het middel van de Inspecteur en bevestigde het oordeel van het Hof dat de waardevermindering van € 61 terecht is meegenomen. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de cassatieprocedure een overschrijding van de redelijke termijn met minder dan zes maanden opleverde, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 500. De Staat werd veroordeeld in de proceskosten.