Belanghebbende B.V. heeft een naheffingsaanslag BPM van €1.451 opgelegd gekregen na een onderzoek door de Inspecteur. De aanslag betreft een Volvo XC90 waarvan de BPM-afschrijving werd vastgesteld via de taxatiemethode. Belanghebbende betwistte de aanslag en stelde dat de verschuldigde BPM berekend moest worden met de herleidingsmethode, waarbij de herrekende bruto BPM van referentievoertuigen als maatstaf wordt genomen.
De Rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde deze uitspraak. Het hof oordeelde dat de herleidingsmethode niet is toegestaan volgens de Wet BPM, die drie specifieke methoden voor waardebepaling voorschrijft. Tevens werd geoordeeld dat de herrekende bruto BPM geen uitdrukking is van de reële waardevermindering en daarom niet bruikbaar is voor de berekening van de verschuldigde BPM.
Het hof verwierp ook het beroep tegen de belastingrente omdat daartegen geen zelfstandige grieven waren ingebracht. De naheffingsaanslag en de toegepaste berekeningswijze blijven daarmee gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer op 19 maart 2024.