Appellanten kochten een perceel van geïntimeerde, maar betwistten diens eigendom over een deel van het perceel, stellende dat geïntimeerde beschikkingsonbevoegd was. Zij vorderden onder meer vergoeding van schade die voortvloeit uit een minnelijke regeling met een derde partij die eigendom claimde.
De rechtbank oordeelde eerder dat appellanten eigenaar waren geworden van het betwiste stuk grond door bevrijdende verjaring, waardoor de vorderingen tegen geïntimeerde werden afgewezen. In hoger beroep bevestigt het hof dit oordeel. Uit de leveringsakte van 1944 en het feitelijk bezit blijkt dat de vader van geïntimeerde het gehele perceel, inclusief de landtong, heeft verkregen en dat geïntimeerde door verjaring eigenaar is geworden.
Appellanten konden onvoldoende tegenbewijs leveren en hun stelling dat geïntimeerde in 2015 beschikkingsonbevoegd was, faalt. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Tevens veroordeelt het hof appellanten tot betaling van de proceskosten van geïntimeerde, maar wijst een veroordeling in werkelijke proceskosten af wegens het ontbreken van misbruik van procesrecht.