In deze civiele zaak gaat het om de vraag of de inkorting van giften in het kader van de afwikkeling van een nalatenschap onredelijk is. Appellant is als begiftigde veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 502.477,70 aan zijn broers, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 oktober 2017.
Appellant heeft verzocht om een betalingsregeling en heeft inzicht gegeven in zijn financiële situatie, waaronder jaarrekeningen en een begrotingsoverzicht. De broers hebben onder meer verkoopopbrengsten van landbouwgrond overgelegd waaruit blijkt dat appellant al een deel van de schuld heeft voldaan. Het hof stelt vast dat appellant niet heeft bewezen dat het onredelijk is om het resterende bedrag te betalen.
De verkoopopbrengst van de grond was hoger dan de waarde bij de bedrijfsovername, wat geen reden geeft voor onredelijkheid. Appellant heeft zijn verzoek tot betalingsregeling ingetrokken. Het hof vernietigt een deel van het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant tot betaling van het resterende bedrag aan zijn broers, met wettelijke rente, en verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.