De heffingsambtenaar van de gemeente Lingewaard stelde de WOZ-waarde vast voor het kalenderjaar 2020 en legde een aanslag onroerendezaakbelasting op aan belanghebbende. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank Gelderland werd de waarde verminderd en proceskostenvergoeding toegekend. Belanghebbende tekende verzet aan tegen een uitspraak van de rechtbank waarin niet was beslist over de wettelijke rente op de kostenvergoedingen.
De rechtbank verklaarde het verzet gegrond en oordeelde dat de heffingsambtenaar wettelijke rente verschuldigd is indien betaling niet binnen vier weken na uitspraak plaatsvond. Belanghebbende stelde dat ook over de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase wettelijke rente verschuldigd is en dat de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding onjuist was vastgesteld.
Het hof herberekende de proceskostenvergoeding voor de verzetprocedure en het hoger beroep op basis van de juiste wegingsfactor en waarde per punt volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht 2024. Het hof oordeelde dat de wegingsfactor van 0,5 terecht was toegepast gezien de aard en complexiteit van de zaak. Tevens veroordeelde het hof de heffingsambtenaar tot betaling van wettelijke rente over het bedrag van € 755,50 indien dit niet tijdig was voldaan, en tot vergoeding van het griffierecht.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding en wettelijke rente betrof. Het hof legde een totale proceskostenvergoeding van € 546,88 op, vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de uitspraakdatum of na opgaaf van een bankrekening op naam van belanghebbende.
De uitspraak is gedaan door raadsheer B.F.A. van Huijgevoort en griffier M.T.M. Hennevelt en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2024.