De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene wijst er op dat in het kader van het beroep bij de kantonrechter is aangevoerd dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De kantonrechter is niet op deze beroepsgrond ingegaan, maar heeft volstaan met de overweging dat er in dit geval geen plaats is om een proceskostenvergoeding toe te kennen wegens schending van de redelijke termijn. De schending van de redelijke termijn heeft daarnaast evenmin tot matiging van de sanctie door de kantonrechter geleid, terwijl een motivering op dat punt ontbreekt. De beslissing van de kantonrechter komt voor vernietiging in aanmerking, aldus de gemachtigde.
2. De kantonrechter heeft hieromtrent het volgende overwogen:
"Het gerechtshof heeft in het arrest van 28 juli 2023 geoordeeld dat de proceskosten moeten worden vergoed voor de fase waarin overschrijding van de de redelijke termijn heeft plaatsgevonden. De kantonrechter wijkt hiervan af en overweegt dat het niet redelijk is een proceskostenvergoeding toe te kennen nu de reden voor overschrijding van de redelijke termijn in de procedeergang van de gemachtigde is gelegen. Zogenoemde no cure no pay-bureaus, waaronder de gemachtigde in onderhavige zaak, dienen grote hoeveelheden Mulderberoepen in, veelal bestaande uit standaard beroepsgronden. Door het aanhangig maken van al deze procedures wordt de overschrijding van de redelijke termijn voor een belangrijk deel door de bureaus zelf veroorzaakt. Gelet op al deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat een vergoeding van de proceskosten redelijkerwijze achterwege moet blijven. De kantonrechter wijst in dit verband op de conclusie van procureur-generaal bij de Hoge Raad van 26 november 2019 (vgl. ECLI:NL:PHR:2019:1201)." 3. In het door de kantonrechter bedoelde arrest van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369 heeft het hof het volgende overwogen: "12. In (inmiddels bestendige) jurisprudentie is bepaald dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg ten hoogste twee jaar bedraagt, waarbij de termijn aanvangt op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. De procedure in administratief beroep is in deze termijn begrepen; de termijn eindigt met de uitspraak van de rechtbank. De redelijke termijn in hoger beroep bedraagt eveneens ten hoogste twee jaren vanaf het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld (zie onder meer het arrest van het hof van 3 maart 2017, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2017:1777). De redelijke termijn van berechting kan langer zijn indien de duur van de procedure in overwegende mate aan de betrokkene of diens gemachtigde is toe te rekenen." 4. De kantonrechter heeft in relatie tot de redelijke termijn van berechting gerefereerd aan het procedeergedrag van de gemachtigde, maar heeft niet inzichtelijk gemaakt of, en zo ja, in hoeverre het procedeergedrag van de gemachtigde meebrengt dat de redelijke termijn van berechting is verlengd. Mogelijk heeft de kantonrechter in minder gelukkige bewoordingen beoogd aan te geven dat het procedeergedrag van de gemachtigde zodanig is dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg, maar ook dit kan - bij het ontbreken van nadere uitleg - niet als kennelijk oordeel van de kantonrechter worden gezien. Het hof zal zelf beoordelen of de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
5. In beroep bij de kantonrechter is door de gemachtigde een draagkrachtverweer gevoerd, waarop de kantonrechter heeft moeten beslissen. In een dergelijk geval wordt de redelijke termijn van berechting met vier maanden verlengd (vgl. het arrest van het hof van 25 januari 2024, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2024:656). De omstandigheid dat de kantonrechter in eerste instantie niet juist heeft beslist op het draagkrachtverweer waardoor de zaak in hoger beroep moest worden teruggewezen naar de rechtbank, maakt (vervolgens) niet dat sprake is van een verdere verlenging van de duur van de procedure die aan de betrokkene is toe te rekenen. Ook verder kan niet worden vastgesteld dat de wijze waarop de gemachtigde in deze procedure heeft geprocedeerd maakt dat de redelijke termijn van berechting langer is dan twee jaar en vier maanden na het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd, in dit geval de verzending van de inleidende beschikking aan de betrokkene, op 4 maart 2021. De kantonrechter heeft eerst op 30 oktober 2023 op het beroep beslist. De redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is in eerste aanleg overschreden.
6. De kantonrechter heeft geen compensatie geboden voor de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
7. Het hof heeft in zijn arrest van 28 juli 2023 als volgt overwogen: "14. Tot op heden heeft het hof in geval van overschrijding van de redelijke termijn van berechting, voor het antwoord op de vraag op welke wijze compensatie dient plaats te vinden, aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad in strafzaken en, gelet op de hoogte van het sanctiebedrag in zaken als deze, volstaan met de enkele vaststelling dat bedoelde termijn is overschreden en dus inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM (vergelijk het hierboven genoemde arrest van het hof van 3 maart 2017 en het arrest van het hof van 26 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10121). 15. Het hof ziet aanleiding om deze jurisprudentie te herzien. Daartoe wordt overwogen dat ook in zaken als deze mag worden verondersteld dat rechtzoekenden gevoelens van onbehagen, irritatie en frustratie ondervinden bij de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Van de rechtzoekende wordt bijvoorbeeld (wel) verlangd dat hij zekerheid stelt voor de betaling van de sanctie en zich houdt aan de voor hem geldende termijnen, bedoeld om de voortgang van de procedure te garanderen. Indien hij dat niet doet, worden daaraan (grote) gevolgen verbonden. Een compensatie die slechts bestaat uit de enkele vaststelling dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, doet naar het oordeel van het hof inmiddels in het algemeen aan deze gevoelens onvoldoende recht.
16. Het hof zal in het vervolg als uitgangspunt hanteren dat indien de redelijke termijn van berechting is overschreden, hetzij in de procedure in eerste aanleg, hetzij in de procedure in hoger beroep, het sanctiebedrag zoals dat in die procedure is of had moeten worden vastgesteld in beginsel wordt gematigd met 25%. (…) De omstandigheden waarin de betrokkene verkeert als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vormen daarvoor de grondslag. (…)"
8. Het hof begrijpt uit de hierboven weergegeven overweging dat de kantonrechter niet tot matiging van het sanctiebedrag is overgegaan omdat de betrokkene dan aanspraak zou maken op een proceskostenvergoeding. Dit kennelijke oordeel van de kantonrechter vindt geen steun in het recht. Het antwoord op de vraag wat moet worden beslist op het ingestelde beroep hangt niet af van wat moet worden beslist omtrent de toekenning van een proceskostenvergoeding. De beslissing omtrent de vergoeding van de proceskosten betreft, gelet op artikel 13a, eerste lid, van de Wahv, een accessoire beslissing nadat beslist is op het ingestelde beroep.
9. Gelet hierop kan de beslissing van de kantonrechter op het ingestelde beroep niet in stand blijven. De kantonrechter had, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg, de inleidende beschikking moeten wijzigen door het bedrag van de sanctie te matigen met 25 %.
10. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.
11. Met betrekking tot de toekenning van de proceskostenvergoeding overweegt het hof dat ten aanzien van een proceskostenvergoeding op de voet van artikel 13a Wahv alleen die kosten voor vergoeding in aanmerking die de andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat dit het geval is als de betrokkene geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld.
12. In zijn arrest van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2020:3336. heeft het hof zijn eerdere maatstaf wanneer een betrokkene in het gelijk wordt gesteld, herzien. Aanleiding daarvoor was het arrest van de Hoge Raad van 7 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2020:563. Dit arrest is gewezen op de (door de kantonrechter conclusie genoemde) vordering tot cassatie in het belang der wet van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 28 november 2019, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:PHR:2019:1201. De verwijzing van de kantonrechter naar deze vordering treft, gelet op de daarop volgende arresten van de Hoge Raad en het hof, geen doel. 13. Het hof heeft in zijn arrest van 28 april 2020 geoordeeld dat een betrokkene in het gelijk wordt gesteld onder meer indien de inleidende beschikking wordt gewijzigd voor wat betreft het sanctiebedrag.
14. Er zijn geen redenen om af te zien van toekenning van een proceskostenvergoeding. Dat, zoals de kantonrechter heeft overwogen, zogenoemde no cure no pay-bureaus, waaronder de gemachtigde in onderhavige zaak, grote hoeveelheden Mulderberoepen indienen, veelal bestaande uit standaard beroepsgronden, betreft niet een op deze zaak toegespitste overweging maar een meer algemene, niet nader uitgewerkte, verzuchting. De hier in beroep bij de kantonrechter ingediende beroepsgronden zijn op de zaak toegespitst en betreffen de verweten gedraging en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
15. Met betrekking tot de toe te kennen proceskostenvergoeding overweegt het hof dat de matiging van het sanctiebedrag uitsluitend zijn grondslag vindt in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023).
Wel komen de proceskosten, gemaakt in beroep bij de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een beroepschrift en het indienen van het hoger beroepschrift in de procedure die heeft geleid tot terugwijzing van de zaak door het hof naar de rechtbank dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
16. Ook de proceskosten gemaakt in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking, nu de betrokkene hoger beroep heeft moeten instellen om inhoudelijk in het gelijk te worden gesteld. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
17. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.312,50 (= 3 x € 875,- x 0,5).