Conclusie
1.Inleiding
2.Het bestreden arrest van het hof
wijzigingvan de initiële beschikking onvoldoende te zijn om aanspraak te maken op een proceskostenvergoeding. In een zaak waarin het hof op 19 augustus 2019 uitspraak deed, [3] vernietigde het hof de beslissing van de kantonrechter, verklaarde het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond en wijzigde de beslissing van de officier van justitie in dier voege dat de inleidende beschikking in zoverre wordt gewijzigd, dat de omschrijving van de gedraging en de feitcode worden vastgesteld op: “als bestuurder van een motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep, terwijl de toegestane parkeerduur is verstreken, feitcode R400ab” [4] . Het hof wees het verzoek om een proceskostenvergoeding af en motiveerde dat als volgt:
3.Wettelijk kader
Stb. 2002, 55) is door de ministers Korthals (Justitie) en Peper (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) gezegd dat art. 13a WAHV is aangepast aan het in dat wetsvoorstel te wijzigen art. 8:75 Awb Pro, om te bewerk-stelligen dat beide regimes gelijk blijven. [22] Ook nog in 2013 is door de minister van Veiligheid en Justitie benoemd dat art. 13a WAHV een aan art. 8:75 Awb Pro identieke regeling voor proceskostenveroordeling bevat. [23]
4.Lijn in de jurisprudentie in WAHV-zaken tot 1 mei 2019
5.Aanspraak op vergoeding van proceskosten volgens de hoogste bestuursrechters
6.Besluit proceskosten bestuursrecht
7.EVRM
8.Aanspraak op vergoeding van kosten ingevolge art. 591a alsmede art. 591 Sv Pro
NJ2013/402, m.nt. Borgers heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter daartoe op de voet van art. 591a lid 2 Sv ook kan besluiten indien de zaak is geëindigd in een sepot, of indien een beklag als bedoeld in art. 12 Sv Pro niet gegrond is verklaard dan wel een dergelijk beklag wel gegrond is verklaard, maar de zaak vervolgens is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr. De reden daarvoor is dat aannemelijk is dat ook in al deze gevallen geen aansprakelijkstelling door de strafrechter zal volgen. [55] Via het vierde lid is in art. 591 lid 5 Sv Pro de regeling van overeenkomstige toepassing verklaard op enkele andere rechtsgedingen. [56] De in dat lid genoemde rechtsgedingen kenmerken zich niet daardoor dat zij steeds zijn gekoppeld aan de strafzaak tegen de betrokkene waarin zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt vastgesteld. [57] Rechtsgedingen die volgens de Hoge Raad niet als een afzonderlijke, van de hoofdzaak te onderscheiden, zaak moeten worden gezien zijn de behandeling van een vordering tot ontneming van wedderrechtelijk verkregen voordeel, [58] een bezwaarschriftprocedure als bedoeld in art. 7 Wet Pro DNA-onderzoeken bij veroordeelden [59] en een klaagschriftprocedure over het inhouden van een rijbewijs als bedoeld in art. 164 lid 8 WVW Pro 1994 [60] . Beslissend voor de vraag of recht op een vergoeding bestaat, is in beginsel kort gezegd of de gewezen verdachte al dan niet terecht in een strafproces is betrokken. Ingeval het openbaar ministerie niet‑ontvankelijk is verklaard in de strafvervolging, bijvoorbeeld vanwege verjaring, kan de rechter het billijk achten om ook een vergoeding van kosten toe te kennen. [61] De kosten van een raadsman in een strafzaak worden in beginsel vastgesteld op het bedrag van de werkelijke kosten, waardoor deze vergoeding – met name bij complexere zaken – het bedrag van de ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair vastgestelde kostenvergoeding zal overstijgen.
9.Nadere beschouwing
redelijkerwijzeheeft moeten maken voor vergoeding door de wederpartij in aanmerking komen. Dat de wetgever de vraag heeft opengelaten of met de WAHV als geheel niet meer richting het strafrecht moet worden opgeschoven is van een andere orde. Uitlatingen van bewindspersonen in die trant kunnen meen ik slechts worden begrepen als doelend op de vraag welk handhavingsstelsel in het algemeen voor verkeersovertredingen – of meer in het algemeen ‘bagatelfeiten’ – het meest geschikt zal blijken te zijn. Maar hoe dan ook gaat het daar om een vraag die de wetgever zal moeten beantwoorden en eentje dus die het rechtsvormend vermogen van de rechter te buiten gaat. Het hof zal zich dus – bij de vraag naar de vergoeding van proceskosten – binnen het thans gegeven wettelijk kader moeten blijven bewegen.