ECLI:NL:GHARL:2024:4260

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 juni 2024
Publicatiedatum
26 juni 2024
Zaaknummer
Wahv 200.333.282/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 2 Besluit proceskosten bestuursrechtWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij bestuursstrafrechtelijke zaak

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter inzake een bestuursstrafrechtelijke zaak op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter had het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot €187,50, en een proceskostenvergoeding van €1.075,50 toegekend.

Het hoger beroep richtte zich met name op de toegepaste wegingsfactoren bij de proceskostenvergoeding. Het hof stelde vast dat binnen één fase in de procedure niet verschillende wegingsfactoren mogen worden toegepast, wat de kantonrechter wel had gedaan. De kantonrechter gebruikte een wegingsfactor van 0,5 voor het indienen van het beroepschrift en 0,25 voor het bijwonen van de zitting, terwijl dit laatste geen betrekking had op het gewicht van de zaak.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter de proceskostenvergoeding daardoor niet juist had vastgesteld en vernietigde dit deel van de beslissing. Vervolgens bepaalde het hof een nieuwe proceskostenvergoeding van €1.561,75, gebaseerd op vier toe te kennen punten met passende wegingsfactoren. De overige beslissingen van de kantonrechter bleven in stand.

Uitkomst: Het hof vernietigt het besluit over proceskostenvergoeding en veroordeelt de advocaat-generaal tot betaling van €1.561,75.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.333.282/01
CJIB-nummer
: 243110924
Uitspraak d.d.
: 26 juni 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 18 september 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 187,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 1.075,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hof stelt vast dat in het hoger beroepschrift, waarmee in meerdere zaken gelijktijdig hoger beroep wordt ingesteld, staat vermeld “betrokkenen ontkennen de gedraging”. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een dergelijke enkele betwisting niet leidt tot twijfel aan de gegevens in het dossier, zodat de gedraging wordt vastgesteld.
2. Het hoger beroep richt zich verder tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte de wegingsfactor zeer licht heeft toegepast voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter. Dat had de wegingsfactor licht moeten zijn. De wegingsfactor zeer licht was bijvoorbeeld van toepassing geweest als het beroep enkel was ingesteld tegen de hoogte van een toegekende proceskostenvergoeding.
3. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag gematigd wegens de verlaging van het sanctiebedrag door de regelgever. Daarnaast heeft de kantonrechter het sanctiebedrag nog verder gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Gelet op deze beslissing is de betrokkene (deels) in het gelijk gesteld en bestond er aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding. Ten aanzien van de vergoeding in de fase bij de kantonrechter heeft de kantonrechter een punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift. De toegepaste wegingsfactor is 0,5 (gewicht van de zaak = licht). Voor het verschijnen op de zitting van de kantonrechter is ook een punt toegekend, maar daarbij is de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast omdat de gemachtigde ter zitting geen inhoudelijke nadere reactie heeft gegeven.
4. Het antwoord op de vraag welke wegingsfactor moet worden toegepast, is afhankelijk van het gewicht van de zaak. Het begrip 'gewicht van de zaak' dient te worden opgevat als het belang en de ingewikkeldheid van de in administratief beroep of in de (hoger) beroepsfase als geheel voorliggende geschilpunten, zonder verdere differentiatie naar de ontwikkeling van het geschil in de betreffende fase van de procedure (vgl. het arrest van het hof van 4 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:784). De tekst van (de bijlage bij) het Besluit proceskosten bestuursrecht noch de toelichting ervan biedt een aanknopingspunt om binnen een fase in de procedure verschillende wegingsfactoren toe te passen. Daarnaast verzet de systematiek van het Besluit proceskosten bestuursrecht - gelet op het forfaitaire karakter - zich tegen een dergelijke interpretatie. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden kan er aanleiding bestaan om op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht van dit uitgangspunt af te wijken (vgl. gerechtshof Amsterdam, 7 november 2013, ECLI: NL:GHAMS:2013:4500 en Centrale Raad van Beroep, 18 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2800).
5. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter ten onrechte binnen één fase verschillende wegingsfactoren gehanteerd. Het door de kantonrechter gehanteerde argument voor toepassing van de wegingsfactor 0,25 voor het bijwonen van de zitting heeft bovendien geen betrekking op het gewicht van de zaak, maar louter op de inspanningen die zijn verricht door de gemachtigde. Gelet hierop heeft de kantonrechter de hoogte van de proceskostenvergoeding niet juist vastgesteld. De beslissing van de kantonrechter kan, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, daarom niet in stand blijven.
6. Aan het indienen van de beroepschriften bij de officier van justitie, de kantonrechter en het hof en het bijwonen van de zitting bij de kantonrechter dienen in totaal vier punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt thans voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep
€ 875,- Gelet op de aard van de zaak wordt in beroep bij de officier van justitie en de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast en in hoger beroep, waar het geschil is beperkt tot de toekenning van proceskostenvergoeding, 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.561,75
((1,5 x € 624,- x 0,5) + (2 x € 875,- x 0,5) + (1 x € 875,- x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij is beslist op het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding;
bevestigt de beslissing voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.561,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.