ECLI:NL:CRVB:2015:2800
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep en proceskostenveroordeling bij bijstandsverlaging wegens niet-nachtopvanggebruik
In deze zaak betrof het een geschil over de verlaging van bijstand met 40% wegens het niet naleven van de verplichting tot dagelijks gebruik van nachtopvang. Het bestuursorgaan had het bezwaar tegen deze verlaging ongegrond verklaard, waarna de rechtbank het besluit vernietigde en het bestuursorgaan veroordeelde tot vergoeding van proceskosten.
Het bestuursorgaan stelde hoger beroep in, maar trok dit tijdens de zitting in. Betrokkene stelde incidenteel hoger beroep in tegen de toegepaste wegingsfactor voor proceskostenvergoeding voor het bijwonen van de zitting. Het bestuursorgaan betoogde dat betrokkene niet-ontvankelijk was vanwege het ontbreken van procesbelang.
De Raad oordeelde dat het intrekken van het hoger beroep aanleiding gaf tot veroordeling van het bestuursorgaan in de proceskosten van betrokkene. Tevens stelde de Raad vast dat betrokkene wel degelijk procesbelang had bij het incidenteel hoger beroep, ook al was de rechtsbijstand verleend op basis van 'no cure no pay'. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak over de proceskostenvergoeding en kende een hogere vergoeding toe voor het bijwonen van de zitting.
De Raad veroordeelde het bestuursorgaan tot betaling van in totaal € 1.347,50 aan proceskosten en wees een veroordeling in proceskosten in het incidenteel hoger beroep af.
Uitkomst: Het bestuursorgaan wordt veroordeeld tot betaling van € 1.347,50 aan proceskosten na intrekking van het hoger beroep en toekenning van een hogere vergoeding voor het bijwonen van de zitting.