Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van €3.723, opgelegd vanwege een verschil tussen de door hem betaalde BPM en de door de Inspecteur vastgestelde BPM. De auto betrof een Toyota RAV4 uit 2014 met een kilometerstand van ruim 123.000 km. Belanghebbende stelde dat de handelsinkoopwaarde lager was door meer dan normale schade, het ontbreken van een Nederlandstalige handleiding en het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigde deze uitspraak. Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor een hogere waardevermindering dan de tabelafschrijving die de Inspecteur toepaste. Foto’s en taxatierapporten toonden geen meer dan normale gebruiksschade. Het ontbreken van een Nederlandstalige handleiding werd niet als waardevermindering erkend, en het ontbreken van een RDW-oordeel over de kilometerstand was onvoldoende onderbouwd als waardedrukkende factor.
Het Hof benadrukte dat de bewijslast voor een extra waardevermindering bij belanghebbende ligt. Omdat deze niet slaagde in het leveren van overtuigend bewijs, werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.