ECLI:NL:GHARL:2024:4724
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over voortzetting huurovereenkomst na overlijden huurder en duurzame gemeenschappelijke huishouding
In deze civiele zaak staat centraal of appellant de huurovereenkomst van zijn overleden vader kan voortzetten op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro, omdat hij met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding zou hebben gevoerd.
Appellant stelde sinds 2018 zijn hoofdverblijf in de woning te hebben gehad en voerde aan dat hij diverse huishoudelijke taken verrichtte en een sociaal leven deelde met zijn vader. Uwoon betwistte dit en voerde onder meer aan dat appellant financieel afhankelijk was en zich pas na het overlijden van vader op het adres inschreef.
Het hof ging ervan uit dat appellant zijn hoofdverblijf in de woning had, maar concludeerde dat niet was voldaan aan het duurzaamheidsvereiste van de gemeenschappelijke huishouding. De terugkeer van appellant naar het ouderlijk huis was ingegeven door een relatiebreuk en er was geen intentie tot blijvende samenwoning. Ook het feit dat appellant zich pas na het overlijden inschreef en zijn inschrijving bij Uwoon voor andere woningen jaarlijks verlengde, sprak tegen duurzaamheid.
Het hof verwierp het bewijsaanbod van appellant wegens onvoldoende onderbouwing en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, waarbij de ontruiming werd toegewezen. Appellant werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, waardoor de ontruiming blijft gehandhaafd.