Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2024:4757

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juli 2024
Publicatiedatum
18 juli 2024
Zaaknummer
Wahv 200.339.556/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1.1 RVArt. 5.6.31 RVArt. 5.6.89 RV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor rijden met bromfiets zonder deugdelijke reminrichting

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het rijden met een bromfiets waarvan de reminrichting niet deugdelijk was. De constatering van de ondeugdelijke remmen vond plaats na staandehouding, maar het hof oordeelt dat dit ook ten tijde van het rijden het geval moet zijn geweest.

De gemachtigde voerde aan dat de overtreding alleen bewezen kan worden als de ondeugdelijke remmen tijdens het rijden zijn vastgesteld, wat volgens hem niet het geval was. Het hof verwijst naar eerdere jurisprudentie en stelt dat de constatering na de staandehouding voldoende is om de gedraging vast te stellen.

Het hof ziet geen reden om aan de verklaring van de ambtenaar te twijfelen en bevestigt daarom de beslissing van de kantonrechter. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de sanctie van €170 voor het rijden met een bromfiets zonder deugdelijke reminrichting.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.339.556/01
CJIB-nummer
: 254049558
Uitspraak d.d.
: 18 juli 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 25 januari 2024, betreffende
[de betrokkene](hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 170,- voor: “Als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl de reminrichting/onderdelen niet deugdelijk is/zijn”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 november 2022 om 16:23 uur op de Groenteweg in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat voor deze gedraging alleen een sanctie kan worden opgelegd, indien de bestuurder heeft gereden met een voertuig met een niet deugdelijke reminrichting. Uit het dossier komt echter niet naar voren of de verbalisant heeft geconstateerd dat gereden werd met een dergelijk voertuig, zodat de gedraging niet kan worden vastgesteld. De gemachtigde wijst hierbij op het arrest van het hof van 1 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1606.
3. Bij de stukken bevindt zich een zaakoverzicht met de verklaring van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Deze verklaring houdt in:
“Gedragingsgegevens: ik zag dat de remmen van de bromfiets krom zijn waardoor hij niet goed kan remmen in situaties.
Overtreden artikel: 5.6.31 en 5.6.89 lid 1 Rv (...)
Bijlagen: een fotografische opname (…)
Verklaring betrokkene: De bestuurder heeft pas een ongeluk gehad.”
4. De gedraging is een overtreding van het bepaalde in artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de ten tijde van de gedraging geldende Regeling voertuigen (RV), in verbinding met de artikelen 5.6.31 en 5.6.89, eerste lid, van die regeling.
5. Gelet op deze bepalingen is het een bestuurder verboden te rijden met een bromfiets zonder deugdelijke reminrichting. Anders dan de gemachtigde kennelijk meent is voor de vaststelling van de gedraging niet vereist dat de gedraging tijdens het rijden wordt geconstateerd. De constatering dat de reminrichting van het voertuig, waarop de betrokkene als bestuurder reed, niet deugdelijk was is eerst na staandehouding gedaan. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat het niet anders kan zijn dan dat de reminrichting ook ten tijde van het aan de staandehouding voorafgaande rijden niet deugdelijk was (vgl. het arrest van het hof van 12 februari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:990). Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
6. De aangevoerde grond treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.