Belanghebbende B.V. verzocht het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie en Veiligheid, te veroordelen in de proceskosten naar aanleiding van de intrekking van het hoger beroep van de Minister tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland.
De Minister had het hoger beroep ingesteld, maar dit op 23 april 2024 ingetrokken. Belanghebbende diende het verzoek om proceskostenvergoeding pas op 25 september 2024 in, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. Het Hof oordeelde dat het verzoek niet schriftelijk was ingediend en bovendien te laat was, zonder dat sprake was van verschoonbare omstandigheden.
Daarnaast overwoog het Hof dat zelfs indien het verzoek tijdig en correct was ingediend, geen proceshandelingen door belanghebbende waren verricht die vergoeding rechtvaardigen. Het ingediende verweerschrift was na intrekking ingediend en kon niet als proceshandeling worden beschouwd.
Het Hof wees het verzoek daarom af en sprak de uitspraak uit in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.