ECLI:NL:GHARL:2024:764

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 januari 2024
Publicatiedatum
31 januari 2024
Zaaknummer
200.328.429
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verbod verdere demontage casco en toewijzing proceskosten

Meteor B.V. en [geïntimeerde] sloten een aanneemovereenkomst voor de bouw van een nieuwbouwwoning. Na betaling van een factuur werd [geïntimeerde] eigenaar van het casco, maar bleef een deel van de facturen onbetaald. Meteor stopte het werk en begon in april 2023 met demontage van het casco.

[geïntimeerde] vorderde bij de voorzieningenrechter een verbod op verdere demontage, wat werd toegewezen met een dwangsom van €65.000. Meteor ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat er geen spoedeisend belang was en dat zij niet voornemens was verder te demonteren.

Het hof oordeelt dat er wel sprake is van een reële dreiging van verdere demontage, hetgeen onrechtmatig is en het spoedeisend belang van [geïntimeerde] rechtvaardigt. Het hof bekrachtigt het verbod en wijst de matiging van de dwangsom af. Ook wijst het hof de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten toe en veroordeelt Meteor tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het verbod op verdere demontage van het casco en veroordeelt Meteor tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.328.429
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: C/08/295181
arrest in kort geding van 30 januari 2024
in de zaak van
Meteor B.V.
die is gevestigd in Klazienaveen
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: Meteor
advocaat: mr. M.R. van der Veen
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
en bij de rechtbank optrad als eiser
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. J.E. de Groot

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
In het arrest van 8 augustus 2023 werd een mondelinge behandeling bij het hof bepaald op 11 september 2023. Deze heeft wegens ziekte van mr. De Groot geen doorgang gevonden. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geïntimeerde] en Meteor hebben een aanneemovereenkomst gesloten voor de realisatie van een nieuwbouwwoning voor [geïntimeerde] .
2.2.
Op 10 april 2022 heeft Meteor een eigendomsverklaring aan [geïntimeerde] gestuurd, waarin het volgende staat: “
Hierbij verklaart METEOR BV dat opdrachtgever na betaling van factuur 10329 ad € 58.662.68 voor 100% eigenaar is van de staalframe bouwconstructie incl. daarop gemonteerde buitenbeplatingen ten behoeve van de nieuwbouw woning conform bouwovereenkomst (…)”.
2.3.
[geïntimeerde] heeft de betreffende factuur voldaan. Meteor heeft daarna nog verschillende andere facturen aan [geïntimeerde] gestuurd, die [geïntimeerde] onbetaald heeft gelaten. [geïntimeerde] heeft zich deels op opschorting beroepen. Meteor heeft vervolgens haar werk in februari 2023 stilgelegd vanwege het onbetaald laten van de facturen door [geïntimeerde] . Op 11 april 2023 heeft Meteor een deel van het gebouwde casco gedemonteerd.
2.4.
[geïntimeerde] heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd Meteor te verbieden het casco geheel of gedeeltelijk (nader) te demonteren, op straffe van een dwangsom.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft deze vordering toegewezen, op straffe van een eenmalige dwangsom van € 65.000,-. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vordering van [geïntimeerde] alsnog wordt afgewezen.

3.Het oordeel van het hof

3.1.
Het hof zal oordelen dat de grieven van Meteor geen doel treffen. Het vonnis van de voorzieningenrechter zal daarom bekrachtigd worden. Het hof ziet geen aanleiding tot matiging van de dwangsom. Het hof licht hieronder toe hoe het tot zijn beslissing is gekomen.
Het spoedeisend belang
3.2.
Het hof is van oordeel dat het spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij de vordering voldoende volgt uit de van Meteor uitgegane dreiging om het casco (verder) te demonteren en dat dit spoedeisend belang nog steeds aanwezig is.
3.3.
Meteor stelt dat er geen sprake is van spoedeisend belang bij de vordering van [geïntimeerde] , omdat zij weliswaar een klein gedeelte van het casco gedemonteerd heeft, maar dat zij na de laatste correspondentie met de advocaat van [geïntimeerde] op geen enkele manier voornemens was tot verdere demontage van het casco over te gaan. Zij heeft, op aanwijzing van haar advocaat, na de dagvaarding in eerste aanleg en vlak voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg, op 18 april 2023 gezegd dat zij zou stoppen met de demontage. [1] Het hof oordeelt dat Meteor hier echter ten onrechte voorbijgaat aan het feit dat zij ook tijdens de zitting op 20 april 2023 gedreigd heeft met het verder demonteren van het casco. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg staat immers vermeld dat door de heer [naam1] namens Meteor is verklaard: “(..)
Maar als wij ons geld niet krijgen, breken we het huis gewoon af. Ik zit al vanaf vorig jaar achter mijn geld aan en daar zijn we helemaal klaar mee. We zijn op dit moment gestopt met het afbreken om in overleg te komen. Als we tot afspraken komen waarbij wij ons geld krijgen dan laten we de casco staan. Als we niet betaald krijgen breken we het af. (..)”Het hof gaat voorbij aan het betoog van Meteor dat hetgeen de heer [naam1] ter zitting heeft gezegd niet juist althans verkeerd door de voorzieningenrechter is geïnterpreteerd, dat de heer [naam1] nooit heeft willen impliceren dat Meteor het demonteren zou willen gebruiken als drukmiddel en een vorm van eigenrichting en dat Meteor enkel tot uitdrukking heeft willen brengen dat er een oplossing voor het bestaande probleem moest komen. Meteor heeft niet toegelicht welke bewoordingen onjuist in het proces-verbaal staan vermeld. Bovendien was Meteor eerder daadwerkelijk, ondanks sommatie om dat niet te doen, al begonnen met demonteren toen er niet betaald werd. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter kan geconcludeerd worden dat Meteor niet van standpunt was veranderd. Namens Meteor is los gezien van de hiervoor weergegeven bewoordingen namelijk ook nog gezegd zonder een rechterlijke uitspraak niet te zullen stoppen met de demontage: “(..)
Het ligt aan uw oordeel in deze zaak of wij gaan stoppen met het demonteren van het huis.(..)”Het hof acht tevens relevant dat tussen partijen nog een geschil bestaat over de uitvoering van het werk en de onbetaalde facturen. Hoewel het begrijpelijk is dat Meteor betaald wil worden voor haar werk, geeft het niet betalen van [geïntimeerde] Meteor geen wettelijke of contractuele bevoegdheid tot demontage van het casco. Tussen partijen is niet in geschil dat het casco eigendom is van [geïntimeerde] . Het hof gaat voorbij aan de stelling van Meteor dat zij zeer minimaal heeft gedemonteerd. Zij heeft namelijk een aantal wanden verwijderd, hetgeen een substantiële inbreuk is op het eigendomsrecht van [geïntimeerde] .
3.4.
Het hof concludeert dat er sprake is van een voldoende reële dreiging dat het casco zonder een rechterlijke uitspraak verder wordt afgebroken, hetgeen onrechtmatig is. Om die reden heeft [geïntimeerde] voldoende spoedeisend belang bij de vordering om verdere schade aan het huis te voorkomen.
Geen matiging van de dwangsom
3.5.
Het hof oordeelt, net als de voorzieningenrechter, dat er in dit geval een dwangsom moet worden opgelegd aan Meteor, om verdere demontage te voorkomen. Het hof zal de dwangsom niet matigen tot een bedrag van € 10.000, zoals Meteor verzoekt. De hoogte van de dwangsom moet voldoende financiële prikkel zijn voor Meteor om van verdere demontage af te zien. Een dwangsom van € 65.000 is daarbij niet bovenmatig gelet op de waarde van het casco.
Toewijzing buitengerechtelijke incassokosten
3.6.
Meteor komt in hoger beroep op tegen de toewijzing van een bedrag van € 925 aan buitengerechtelijke kosten. Volgens Meteor is niet voldoende gebleken van werkzaamheden die een vergoeding van buitengerechtelijke kosten rechtvaardigen. Het hof stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet van toepassing is in onderhavige procedure. De vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, zal worden getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal.
3.7.
De werkzaamheden waarvan [geïntimeerde] vergoeding vordert, zijn in ieder geval deels aan te merken als buitengerechtelijk. Het hof oordeelt dat [geïntimeerde] voldoende heeft gesteld deze kosten gemaakt te hebben. De kosten waarvan vergoeding wordt gevorderd zijn bovendien redelijk en in redelijkheid gemaakt.
Geen bewijslevering
3.8.
Als uitgangspunt geldt, gelet op de aard van het kort geding, dat in deze procedure in het algemeen geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering. Er is daarnaast niet voldoende gesteld of gebleken dat er in deze zaak redenen zijn om van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat daarom aan het bewijsaanbod van Meteor voorbij.
De conclusie
3.9.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Meteor in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Meteor tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen zoals gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente indien niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan.
3.10.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 20 april 2023;
4.2.
veroordeelt Meteor tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 343,- aan griffierecht
€ 1.183,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 procespunt x appeltarief € 1.183);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Schoemaker, D. Stoutjesdijk en L.A. de Vrey, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2024.

Voetnoten

1.Randnummer 3.8 memorie van antwoord.