Appellant is eigenaar van een perceel met daarop een woonhuis, omgeven door percelen van woningcorporatie Ieder1. Op een strook grond van appellant staan bergingen die Ieder1 gebruikt voor haar huurders. Appellant vordert dat de feitelijke grens wordt vastgesteld en dat Ieder1 de bergingen verwijdert wegens onrechtmatig gebruik.
De rechtbank wees deze vorderingen af, stellende dat Ieder1 door onafgebroken bezit sinds begin jaren ’80 en een verjaringstermijn van 20 jaar eigenaar is geworden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de bergingen oorspronkelijk door zijn rechtsvoorganger, de gemeente, waren gebouwd en dat Ieder1 geen vergunning kan tonen.
Het hof oordeelt dat Ieder1 voldoende heeft gesteld en bewezen dat de bergingen in opdracht van haar rechtsvoorganger zijn gebouwd, uitsluitend toegankelijk zijn vanaf haar perceel en door haar huurders worden gebruikt. De stelling van appellant dat er een doorgang vanuit zijn woning was, wordt niet bewezen. De verjaring is niet gestuit en Ieder1 is sinds 2012 eigenaar van de grond.
De vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen wordt afgewezen omdat appellant nooit eigenaar is geweest van de grond sinds 2012 en geen bewijs van kwade trouw is geleverd. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten.