In deze civiele procedure in hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 maart 2025 een tussentijds arrest gewezen waarin het verlof verleent voor het instellen van cassatieberoep tegen eerdere tussenarresten van 3 september 2024 en 10 december 2024.
De geïntimeerden hadden verzocht om tussentijds cassatieberoep toe te staan omdat zij van mening waren dat het hof in het arrest van 10 december 2024 ten onrechte hun beroep op bepaalde procesregels had verworpen. Appellanten maakten bezwaar tegen dit verzoek, stellende dat de termijn voor cassatie tegen het arrest van 3 september 2024 was verstreken en dat tussentijdse cassatie zou leiden tot onredelijke vertraging.
Het hof oordeelde dat tussentijds cassatieberoep mogelijk is zolang er geen eindarrest is gewezen en dat het toestaan van dit beroep in deze zaak procesmatig doelmatig en passend is. Hoewel tussentijdse cassatie tot vertraging kan leiden, acht het hof deze niet onredelijk en bevordert het de procesefficiëntie door het oordeel aan de Hoge Raad voor te leggen.
Het hof bepaalde dat van het tussenarrest van 10 december 2024 cassatieberoep kan worden ingesteld, wat ook geldt voor het tussenarrest van 3 september 2024. De zaak is verwezen naar een roldatum voor verdere schriftelijke standpunten over de cassatieprocedure, en verdere beslissingen zijn aangehouden.