Belanghebbende, een predikant werkzaam sinds 2009, maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2019. De rechtbank had het beroep tegen de IB/PVV-aanslag gegrond verklaard en tegen de Zvw-aanslag ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het geschil betrof vooral de aftrekbaarheid van kosten voor de werkruimte in de woning en de reiskosten. Belanghebbende voerde aan dat de werkruimte een zelfstandig gedeelte van de woning vormt, met eigen ingang en nabijgelegen sanitaire voorzieningen, en dat hij minimaal 70% van zijn werkzaamheden daar verricht. Tevens stelde hij recht te hebben op aftrek van reiskosten op basis van een specificatie van 15.425 kilometer en een geschatte vergoeding.
Het hof oordeelde dat de werkruimte niet als zelfstandig gedeelte van de woning kan worden aangemerkt omdat het ontbreekt aan een eigen toilet en de sanitaire voorzieningen niet exclusief tot de werkruimte behoren. Hierdoor zijn de kosten van de werkruimte niet aftrekbaar. Ook was de specificatie van reiskilometers onvoldoende onderbouwd en kon niet worden aangenomen dat de volledige opgevoerde kilometers daadwerkelijk zijn gereden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel slaagde niet, omdat er geen sprake was van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur en de situaties niet als gelijk konden worden beschouwd.
De belastingrente werd terecht niet gematigd en een kostenvergoeding voor de bezwaarfase werd niet toegekend omdat hier niet tijdig om was verzocht. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.