Partijen waren vennoten in een vennootschap onder firma die zij in 2011 oprichtten. De vennootschap werd opgezegd door appellant, waarna de klanten mochten kiezen met welke vennoot zij verder wilden. De meeste klanten kozen voor geïntimeerde, wat appellant als overbedeling beschouwde en aanleiding gaf tot een vordering tot vergoeding.
De rechtbank wees de vorderingen af en appellant stelde hoger beroep in met gewijzigde eis en aanvullende gronden zoals ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad. Het hof oordeelde dat partijen medio november 2021 overeenkwamen dat de keuze van klanten bepalend was en dat er geen verdere verrekening zou plaatsvinden.
Het hof vond geen grond voor vergoeding wegens overbedeling, onrechtmatige daad of handelen in strijd met redelijkheid en billijkheid. De subsidiaire vorderingen werden eveneens afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en appellant werd veroordeeld in de proceskosten.