ECLI:NL:GHARL:2025:2458

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
23 april 2025
Zaaknummer
200.347.969
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenarrest inzake verzoek tot inzage stukken in geschil over pachtovereenkomst

In deze civiele zaak staat centraal of de pachter tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit de pachtovereenkomst betreffende percelen 433 en 434, en of de overeenkomst dient te worden ontbonden. De appellant, die in reconventie eiser was bij de rechtbank, is het niet eens met de afwijzing van zijn vorderingen en heeft hoger beroep ingesteld. Hij vordert onder meer inzage in specifieke administratieve stukken van de maatschap waarvan de pachter en zijn familieleden deel uitmaken.

De appellant vermoedt dat niet de pachter zelf, maar diens zoon de feitelijke zeggenschap heeft over het gepachte en dat de teelt van gewassen niet meer voor rekening van de pachter geschiedt. Hij baseert dit op de aard van de gewassen, de activiteitenomschrijving in het handelsregister en waarnemingen uit de omgeving.

Het hof beoordeelt het verzoek tot inzage aan de hand van artikel 843a Rv en stelt vast dat de gevorderde stukken specifiek en relevant zijn voor het geschil en dat appellant een rechtmatig belang heeft. Het hof veroordeelt geïntimeerde tot het verstrekken van gecombineerde opgaven en jaarstukken over de jaren 2018 tot en met 2020 en 2024, maar wijst het verzoek voor overige stukken af. De hoofdzaak wordt voortgezet en de beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot het eindarrest.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot inzage in specifieke stukken gedeeltelijk toe en bepaalt dat geïntimeerde deze binnen een maand moet verstrekken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.347.969
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 10883672
arrest van de pachtkamer in het incident van 22 april 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. B. Nijman
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
die bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. P. Stehouwer

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de pachtkamer in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 7 augustus 2024 tussen partijen in reconventie heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven tevens akte vermeerdering van eis en een incidentele vordering ex artikel 843a Rv
  • de memorie van antwoord in het incident
1.2.
Hierna heeft het hof arrest in het incident bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tussen partijen is, voor zover van belang voor dit incident, in geschil of er sprake is van een tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van zijn verplichtingen als pachter als gevolg waarvan de tussen [appellant] en [geïntimeerde] bestaande reguliere pachtovereenkomst ten aanzien van de percelen 433 en 434 dient te worden ontbonden dan wel dient te worden beëindigd.
2.2.
De pachtkamer heeft de vorderingen van [appellant] in reconventie dat
primairde datum zal worden bepaald waarop de pachtovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] zal eindigen dan wel
subsidiairvoor recht zal worden verklaard dat [geïntimeerde] zich niet heeft gedragen zoals het een goed pachter betaamt en [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure, met inbegrip van de nakosten, afgewezen.
2.3.
[appellant] is het niet eens met het vonnis wat betreft de afwijzing van zijn vorderingen in reconventie en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. [appellant] vermeerdert zijn eis in hoger beroep met een vordering tot ontbinding van de pachtovereenkomst omdat [geïntimeerde] niet meer de zeggenschap over het gepachte zou hebben, dan wel dat daarop niet meer voor zijn rekening en risico gewassen worden geteeld. Hij vordert in verband daarmee in het incident dat het hof [geïntimeerde] gelast aan [appellant] ter inzage te verstrekken:
een kopie van de overeenkomst van maatschap tussen [geïntimeerde] , diens echtgenote en diens zoon,
de gecombineerde opgaven, met inbegrip van de opgaven grondgebruik, over de jaren 2018 tot en met 2024 en
de jaarstukken van de maatschap over de periode van 2018 tot en met 2024.
2.4.
[geïntimeerde] heeft in antwoord op het incident een aantal stukken overgelegd en zich voor het overige verzet tegen het moeten overleggen van meer of andere stukken.

3.Het oordeel van het hof

criterium artikel 843a Rv
3.1.
De wet [1] kent de mogelijkheid om van iemand anders inzage in documenten te vragen, of zelfs een kopie of uittreksel. Er kan echter niet willekeurig worden gevraagd naar gegevens die interessant zouden kunnen zijn. De wet stelt de volgende eisen.
- het moet gaan om gegevens over een rechtsverhouding waarbij de verzoeker partij is;
- de verzoeker moet een rechtmatig belang hebben bij inzage in/verstrekking van die gegevens;
- het moet gaan om specifieke gegevens die de verzoeker niet heeft, maar de ander wel.
De verzoeker heeft geen recht op deze gegevens als op een andere manier net zo goed bewijs kan worden geleverd of als de ander een sterk argument heeft om te weigeren.
standpunten van partijen
3.2.
[appellant] legt het volgende aan zijn incidentele vordering ten grondslag. Het bedrijf van de pachter wordt gevoerd in het kader van de maatschap [geïntimeerde] . Maten in die maatschap zijn naast de pachter diens echtgenote en diens zoon, [de zoon] . De inbreng van pachtrechten in een maatschap is toegestaan, mits de zeggenschap over het gepachte niet wordt afgestaan. Voor [appellant] is het niet duidelijk wie de zeggenschap heeft over de verpachte gronden en voor wiens rekening en risico daar gewassen worden geteeld. [appellant] vermoedt dat niet zijn pachter, maar diens zoon, [de zoon] , degene is die de beslissingen in het bedrijf van de pachter neemt. In het handelsregister is als bedrijfsactiviteit van de maatschap uitsluitend vermeld het fokken en houden van melkvee en het opfokken van jongvee voor de melkveehouderij. De zoon van de pachter, [de zoon] , voert volgens het handelsregister sinds 1 januari 2021 een eenmanszaak met de naam [naam1] . De activiteitenomschrijving vermeldt de teelt van granen, peulvruchten en oliehoudende zaden, akkerbouwbedrijf. De gronden die [geïntimeerde] pacht van [appellant] zijn tot en met 2017/2018 steeds gebruikt als grasland voor de melkveehouderij. Daarna werd het grasland gescheurd en blijken er verschillende gewassen te zijn geteeld, waaronder graszaad (2018), bieten (2019 en 2023), gerst (2020 en 2022) en tarwe. Daarmee ligt de nadruk op akkerbouwgewassen. [appellant] gaat ervan uit dat deze teelten worden uitgevoerd door de zoon van [geïntimeerde] . Uit de omgeving van het bedrijf hoort [appellant] ook dat uitsluitend de zoon van de pachter op de door hem verpachte percelen werkzaamheden uitvoert en daar met gebruikmaking van zijn machines akkerbouwgewassen teelt. De vordering van [appellant] ziet op bepaalde en concreet aangeduide stukken en betreft dan ook niet een zogenaamde ‘fishing expedition’. Het gaat om administratieve gegevens die het bedrijf van de pachter betreffen die [geïntimeerde] zonder problemen ter beschikking kan stellen, aldus [appellant] .
3.3.
Bij memorie van antwoord in het incident heeft [geïntimeerde] de volgende stukken in het geding gebracht:
  • de maatschapsakte tussen [geïntimeerde] , diens echtgenote en diens zoon van 29 januari 2015;
  • een “aanvulling maatschapsakte” van 1 augustus 2016;
  • de gecombineerde opgaven over de jaren 2021 tot en met 2024;
  • de jaarrekeningen over de jaren 2021 tot en met 2023.
Ten aanzien van de overige ter inzage gevorderde gegevens voert [geïntimeerde] aan dat het bij het pachthof te doen gebruikelijk is om gecombineerde opgaven en jaarrekeningen van de laatste drie jaar te overleggen. Bij gegevens ouder dan drie jaar heeft [appellant] geen belang, aldus [geïntimeerde] .
oordeel hof
3.4.
Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen om [appellant] inzage te verschaffen in de gecombineerde opgaven, met inbegrip van de opgaven grondgebruik, over de jaren 2018 tot en met 2020 en de jaarstukken van de maatschap over de periode van 2018 tot en met 2020 en 2024. Het hof begrijpt dat [appellant] inzage wil vanaf 2018 omdat bij het gebruik van de grond vanaf dat moment de nadruk ligt op akkerbouwgewassen en dit gebruik veeleer past bij de beschrijving van de activiteiten van de eenmanszaak van de zoon van [geïntimeerde] dan bij de activiteiten van het bedrijf van de pachter. [appellant] heeft daar mogelijk belang bij omdat als er sprake zou zijn van een tekortkoming ook de duur daarvan bij de beoordeling van het geschil van belang zou kunnen zijn. [geïntimeerde] moet deze inzage verschaffen door het overleggen van deze stukken in deze procedure.
3.5.
Voor zover [geïntimeerde] de door [appellant] gevorderde stukken inmiddels in het geding heeft gebracht, geldt dat [appellant] geen belang meer heeft bij zijn incidentele vordering voor zover die op die stukken ziet, zodat de vordering van [appellant] in zoverre zal worden afgewezen.
de conclusie
3.6.
Het hof wijst de incidentele vordering gedeeltelijk toe en houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak.
3.7.
Het hof bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1.
bepaalt dat [geïntimeerde] aan [appellant] binnen een maand na dit arrest ter inzage moet verstrekken door het overleggen van:
- de gecombineerde opgaven, met inbegrip van de opgaven grondgebruik, over de jaren 2018 tot en met 2020;
- de jaarstukken van de maatschap over de periode van 2018 tot en met 2020 en 2024;
4.2.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;
4.3.
wijst het meer of anders verzochte af;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.4.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, H.L. Wattel en W.F. Boele en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en ing. H.G.J.M. Janssen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 april 2025.

Voetnoten

1.Artikel 843a Rv zoals dat luidde vóór 1 januari 2025 (dit is van toepassing omdat de zaak op die datum al met de dagvaarding in hoger beroep aanhangig was, zie artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht).