In deze civiele zaak tussen buren draait het geschil om het gebruik van een voetpad en de plaatsing van een schutting op de erfgrens. De rechtbank had eerder geoordeeld dat door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid van overpad was ontstaan en dat de schutting deels onrechtmatig was geplaatst. Beide partijen gingen in hoger beroep.
Het hof onderscheidt de schutting in twee delen: het deel niet ter hoogte van de knik en het deel ter hoogte van de knik. Voor het eerste deel is onvoldoende bewijs van overbouw, waardoor dit deel mandelig is en gezamenlijk eigendom van partijen. Voor het deel ter hoogte van de knik is sprake van een kleine overbouw, maar het hof acht onvoldoende bewezen dat sprake is van kwade trouw of grove schuld van de schuttingeigenaar, waardoor handhaving van de bestaande situatie tegen schadeloosstelling gerechtvaardigd is.
Ten aanzien van het voetpad is onbetwist dat in de leveringsakte geen erfdienstbaarheid is opgenomen. De vraag of door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan, wordt door het hof opengesteld voor nader bewijs. De partij die zich op verjaring beroept moet aantonen dat het recht van overpad voor 6 februari 2002 onafgebroken gedurende twintig jaar is uitgeoefend. Het hof staat bewijs toe en bepaalt nadere procedurele stappen, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.