Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn ouders van een minderjarig kind met gezamenlijk gezag. De rechtbank bepaalde dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de moeder zal zijn en gaf haar toestemming om met het kind naar Engeland te verhuizen. De vader ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om vernietiging van deze beschikking.
Het hof overwoog dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. De vader stelde dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met de co-ouderschapsregeling en de hechting van het kind aan beide ouders. De moeder voerde aan dat de rechtbank terecht oordeelde dat haar hoofdverblijfplaats in Engeland is en dat zij haar leven daar wil voortzetten.
De raad voor de kinderbescherming adviseerde de huidige situatie te handhaven, omdat het goed gaat met het kind en er geen negatieve signalen zijn. Het hof constateerde dat het kind sinds september 2024 bij de moeder in Engeland woont, regelmatig contact heeft met de vader en dat de ouders ondanks afstand en communicatieproblemen goed voor het kind zorgen.
Het hof achtte de verhuizing naar Engeland voldoende doordacht en voorbereid door de moeder en vond de impact op het kind beperkt gezien haar jonge leeftijd en het ontbreken van sterke binding met Nederland. Het hoger beroep faalde en de beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: De beschikking dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de moeder blijft en haar toestemming tot verhuizing naar Engeland wordt bekrachtigd.