ECLI:NL:GHARL:2025:2680

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 mei 2025
Publicatiedatum
1 mei 2025
Zaaknummer
200.348.952
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging hoofdverblijfplaats kind bij moeder en toestemming verhuizing naar Engeland

Partijen zijn ouders van een minderjarig kind met gezamenlijk gezag. De rechtbank bepaalde dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de moeder zal zijn en gaf haar toestemming om met het kind naar Engeland te verhuizen. De vader ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om vernietiging van deze beschikking.

Het hof overwoog dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. De vader stelde dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met de co-ouderschapsregeling en de hechting van het kind aan beide ouders. De moeder voerde aan dat de rechtbank terecht oordeelde dat haar hoofdverblijfplaats in Engeland is en dat zij haar leven daar wil voortzetten.

De raad voor de kinderbescherming adviseerde de huidige situatie te handhaven, omdat het goed gaat met het kind en er geen negatieve signalen zijn. Het hof constateerde dat het kind sinds september 2024 bij de moeder in Engeland woont, regelmatig contact heeft met de vader en dat de ouders ondanks afstand en communicatieproblemen goed voor het kind zorgen.

Het hof achtte de verhuizing naar Engeland voldoende doordacht en voorbereid door de moeder en vond de impact op het kind beperkt gezien haar jonge leeftijd en het ontbreken van sterke binding met Nederland. Het hoger beroep faalde en de beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd.

Uitkomst: De beschikking dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de moeder blijft en haar toestemming tot verhuizing naar Engeland wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.348.952
(zaaknummers rechtbank Gelderland 431687 en 432570)
beschikking van 1 mei 2025
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.W. Post,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] , Engeland,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.S. Zijderveld.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), van 26 april 2024 en 12 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 12 september 2024 wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 10 december 2024;
- het verweerschrift met bijlagen;
- een journaalbericht van mr. Zijderveld van 18 maart 2025 met bijlagen;
- een journaalbericht van mr. Post van 21 maart 2025 met bijlagen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 3 april 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-de vader, bijgestaan door zijn advocaat, die vergezeld werd door een stagiair;
-de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door een tolk in de Engelse taal en
door een begeleider van de Stichting [naam1] ;
-een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Aan genoemde stagiair en begeleider werd bijzondere toegang verleend.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
[de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2023 te [plaats1] . De vader heeft [de minderjarige] erkend en de ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit.
3.2
In de beschikking van 26 april 2024 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld om in het kader van crossborder mediation afspraken met elkaar te maken.
3.3
Partijen hebben in het kader van genoemde mediation een Two Party Agreement gesloten, waaruit blijkt dat zij overeenstemming hebben bereikt over een zorgregeling voor [de minderjarige] in de verschillende situaties. Zij hebben een zorgregeling afgesproken voor het geval de rechtbank gaat beslissen dat [de minderjarige] met de moeder mag verhuizen naar Engeland en daar haar hoofdverblijfplaats zal hebben en voor het geval de rechtbank gaat beslissen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader zal zijn.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] .
In de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder zal zijn en is aan de moeder vervangende toestemming verleend om met [de minderjarige] naar Engeland te verhuizen.
4.2
De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de verzoeken van de moeder alsnog af te wijzen en te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem zal zijn, althans de beslissing te nemen die het hof juist acht.
4.3
De moeder heeft verweer gevoerd. Zij vraagt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De vader heeft de Nederlandse nationaliteit, de moeder de Engelse; [de minderjarige] heeft de Nederlandse en de Engelse nationaliteit.
Op grond van artikel 7 eerste Pro lid van Brussel II-ter komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, omdat vast staat dat [de minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats in Nederland had.
Het hof past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht toe op het verzoek.
5.2
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft omvatten.
5.3
De vader stelt – kort samengevat – dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder zal zijn, waarbij geen rekening is gehouden met de co-ouderschapsregeling die de ouders na tussenkomst van de hulpverlening onderling hebben afgesproken. Volgens de vader is het belangrijk dat [de minderjarige] een goede hechting heeft met beide ouders en dat zij kan opgroeien met zowel de vader als met de moeder.
De vader stelt dat de rechtbank bovendien ten onrechte heeft geoordeeld dat de belangen van [de minderjarige] en ook het contact tussen hem en [de minderjarige] voldoende zijn gewaarborgd na een verhuizing van de moeder met [de minderjarige] naar Engeland. Volgens de vader was er voor de moeder geen noodzaak om naar Engeland te verhuizen.
5.4
De moeder voert – kort samengevat – aan dat de rechtbank op de juiste gronden heeft bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar in Engeland zal zijn. Het is van de aanvang af nooit haar intentie geweest om haar baan en haar bestaan in Engeland op te geven en in Nederland te blijven en daar een bestaan op te bouwen. De relatie tussen partijen was niet bestendig. Volgens de moeder heeft de rechtbank weloverwogen beslist over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en over de verhuizing van haar met [de minderjarige] naar Engeland.
5.5
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de huidige situatie, waarin [de minderjarige] sinds september 2024 bij de moeder in Engeland woont, niet te wijzigen. Gebleken is dat het goed gaat met [de minderjarige] , dat er geen kindsignalen zijn en ook overigens geen factoren zijn gebleken, die maken dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] niet langer bij de moeder in Engeland zou moeten zijn.
5.6
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder zal zijn, kan worden bekrachtigd. Het hof constateert dat het goed gaat met [de minderjarige] sinds zij vanaf september 2024 bij de moeder in Engeland woont. Niet gesteld of gebleken is dat er kindsignalen of andere omstandigheden zijn die maken dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] niet (meer) bij de moeder kan zijn. [de minderjarige] is sinds september 2024 drie keer gedurende een periode van minimaal een week bij de vader in Nederland geweest en de vader is ook een periode in Engeland geweest. Daarnaast hebben de vader en [de minderjarige] regelmatig online contact. Beide ouders hebben verklaard dat die contactmomenten, waarover zij in de hiervoor in 3.3 genoemde Two Party Agreement afspraken hebben gemaakt, goed zijn verlopen, dat [de minderjarige] altijd blij is als zij de vader ziet en dat zij ook graag bij de vader in Nederland is. Het hof constateert dat de ouders, ondanks hun verschil van mening, de stroeve communicatie en de fysieke afstand tussen hun woonplaatsen, samen goed voor [de minderjarige] zorgen. Het hof ziet geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te bepalen.
5.7
Het hof zal, omdat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder is, ook de beslissing van de rechtbank aan de moeder toestemming te geven om met [de minderjarige] te verhuizen naar Engeland, bekrachtigen. Uit de ‘Two Party Agreement’ volgt al dat de vader aan de moeder toestemming geeft met [de minderjarige] naar Engeland te verhuizen als de rechter vaststelt dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Het hof overweegt in dit verband bovendien ten overvloede het volgende. De moeder heeft sinds 2016 gewoond en gewerkt in Engeland, waar zij haar netwerk heeft opgebouwd. Zij is naar Nederland gekomen voor de bevalling van [de minderjarige] . Anders dan de vader heeft gesteld is niet gebleken dat de moeder bij haar vertrek uit Engeland heeft besloten om zich permanent in de Nederland te vestigen. Het hof acht daarentegen de stelling van de moeder, dat zij wilde onderzoeken of er voor haar mogelijkheden waren om in Nederland samen met de vader [de minderjarige] te verzorgen en op te voeden, aannemelijk. De moeder had immers met haar werkgever in Engeland afspraken gemaakt voor een hervatting van haar baan als verpleegkundige na een terugkeer vanuit Nederland. Na haar terugkeer naar Engeland is de moeder tijdelijk met [de minderjarige] gaan inwonen bij vrienden, die ook de opvang van [de minderjarige] verzorgen als de moeder werkt. Tijdens de zitting heeft de moeder verklaard dat zij een eigen appartement wil aankopen, waarvoor zij de financiering aan het regelen is. Het hof is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat de moeder de (terug)verhuizing naar Engeland voldoende heeft doordacht en voorbereid.
Hoewel een verhuizing uit de vertrouwde omgeving voor een kind in het algemeen ingrijpend is, acht het hof de impact in dit geval voor [de minderjarige] niet zo groot. [de minderjarige] was ten tijde van de verhuizing net een jaar oud, ging nog niet naar school en had nog niet hechte vriendschappen opgebouwd, waardoor nog niet kan worden gesproken van een situatie waarin zij is geworteld in Nederland. Zoals hiervoor in 5.6 overwogen is gebleken dat de vader en de moeder hun uiterste best doen om [de minderjarige] en de vader zoveel mogelijk volgens genoemd Agreement contact met elkaar te laten hebben. Sinds september 2024 hebben de vader en [de minderjarige] al diverse keren fysiek contact en zeer frequent online contact met elkaar gehad.
5.8
Gelet op al het voorgaande faalt het hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 12 september 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.H. Lieber en P.B. Kamminga, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 1 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.