Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoeker is sinds april 2023 onder bewind gesteld vanwege zijn onvermogen om zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, mede door problematische schulden en moeite met het regelen van financiële zaken. Tijdens zijn detentie van maart tot augustus 2024 heeft de kantonrechter het bewind ambtshalve opgeheven, omdat er geen vermogen was om te beheren en de detentie toen nog onbekend was in duur.
Verzoeker kwam hiertegen in hoger beroep en stelde dat het bewind ten onrechte was opgeheven, omdat zijn detentie slechts kort zou duren en hij daarna een inkomen zou ontvangen. Ook vroeg hij om een andere bewindvoerder vanwege moeizaam contact met de huidige.
De bewindvoerder erkende de problemen in de samenwerking en bevestigde dat het bewind in het belang van verzoeker is, maar dat een andere bewindvoerder wenselijk is.
Het hof oordeelde dat er voldoende gronden zijn voor bewind, gezien de schulden en het onvermogen van verzoeker om zijn financiële belangen te behartigen. Echter, vanwege de huidige detentie met onzekere duur acht het hof voortzetting van het bewind niet zinvol. Verzoeker kan na zijn detentie een nieuw verzoek indienen met een bereidverklaring van een nieuwe bewindvoerder.
Daarom bekrachtigt het hof de beschikking van de kantonrechter tot opheffing van het bewind.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de opheffing van het bewind over de goederen van verzoeker omdat voortzetting tijdens zijn detentie niet zinvol is.