Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.De beslissing
21 januari 2025.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant stelde hoger beroep in tegen een verstekvonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, waarin hij niet was verschenen en verstek tegen hem was verleend. Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het hoger beroep, waarbij appellant aanvoerde dat hij wel verzet had aangetekend, maar dat dit niet was erkend door de rechtbank. Tevens stelde appellant dat hij de Nederlandse taal niet machtig was en niet in Nederland verbleef tijdens de procedure.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 335 lid 1 Rv Pro hoger beroep tegen een verstekvonnis niet mogelijk is en dat verzet alleen kan worden aangetekend bij exploot van dagvaarding, wat appellant niet had gedaan. Zijn poging tot verzet per e-mail voldeed niet aan de wettelijke vereisten. Ook de omstandigheden omtrent taalbeheersing en verblijf in het buitenland rechtvaardigden geen uitzondering op de regel.
Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde hem tot betaling van de proceskosten van geïntimeerde, begroot op € 798,- aan griffierecht. De advocaatkosten van geïntimeerde werden op nihil gesteld. Het arrest werd uitgesproken op 21 januari 2025 door drie raadsheren.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en veroordeeld tot betaling van proceskosten.