Belanghebbende, woonachtig in Nederland, werkte in 2018 in dienstbetrekking bij een werkgever met hoofdkantoor in Irak. Hij ontving een nettosalaris van €220.972, waarvan hij verzocht om een tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting op basis van de vrijstellingsmethode. De Inspecteur stelde een correctie voor waarbij alleen voor 145 werkdagen in Irak een tegemoetkoming werd verleend, terwijl werkdagen in andere landen werden uitgesloten.
De Rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het Hof oordeelde dat de dagen waarop belanghebbende werkzaamheden verrichtte buiten Irak, waaronder zakenreizen naar Duitsland, Frankrijk, Turkije en het Verenigd Koninkrijk, niet in aanmerking komen voor de tegemoetkoming omdat deze niet binnen het grondgebied van Irak zijn verricht.
Het Hof verwierp het betoog van belanghebbende dat deze dagen niet als werkdagen moeten worden aangemerkt vanwege het beperkte karakter van de werkzaamheden. Het Hof bevestigde dat de Inspecteur terecht een tegemoetkoming heeft verleend voor het inkomen gerelateerd aan de 145 werkdagen in Irak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.