Uitspraak
- 2.1 In het tussenarrest van 7 mei 2024 is ter gelegenheid van de deskundigenbenoeming van Van Hemert aan partijen meegegeven dat zij na ontvangst van het conceptrapport van de deskundige zes weken de tijd hebben om hierop te reageren in samenspraak met hun medisch adviseur dan wel een eigen deskundige. Met deze input kon de gerechtelijk deskundige dan rekening houden in zijn eindrapport. De Sint Maartenskliniek heeft bij de memorie na deskundigenbericht (het laatst gewisselde processtuk) een nieuw rapport van prof. dr. F.C. Öner van 11 januari 2025 overgelegd met commentaar op het definitieve deskundigenrapport van Van Hemert. Het hof laat deze productie buiten beschouwing nu dit niet alleen in strijd is met de instructie die het hof al tijdens de mondelinge behandeling van 5 september 2022 had gegeven en die in het tussenarrest is herhaald, maar ook omdat het in strijd komt met een goede procesorde. Immers, [appellant] heeft niet kunnen reageren op dit nieuwe rapport en zou daartoe dan alsnog de gelegenheid moeten krijgen. Deze procedure loopt al (te) lang en het hof wil waken voor nog meer vertraging door het handelen van de Sint Maartenskliniek (zie artikel 20 Rv Pro).
- 2.2 Het hof heeft in het tussenarrest van 7 mei 2024 onder 2.12 (gelezen in samenhang met wat onder 2.10 staat opgenomen) samengevat welke punten nog door het hof beoordeeld moeten worden en waarvoor een deskundigenbenoeming nodig is. Het gaat om, kort gezegd, de indicatiestelling voor de operatie van 27 november 2013, het alternatief voor deze operatie voor [appellant] als redelijk handelend patiënt en de vraag of de operatie volgens de regelen der kunst is uitgevoerd.
- Welke deskundigen / instanties zijn aan het woord geweest?
- 2.3 In deze zaak zijn meerdere deskundigen aan het woord geweest, zijn er twee rapporten uitgebracht van de (toen nog zo geheten) Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) van maart 2015 en van juli 2015, heeft een klachtencommissie van de kliniek op 24 maart 2015 een uitspraak gedaan en zijn er twee tuchtrechtelijke procedures gevoerd (voor het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) en in hoger beroep voor het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG)).
- 2.4 Door [appellant] zijn de volgende medisch deskundigen ingeschakeld: dr. J. de Waal Malefijt, orthopedisch chirurg met een rapport/advies van 19 augustus 2014 en H.W.C. Bijvoet, neurochirurg die een rapport heeft uitgebracht van 31 maart 2021. Beide deskundigen zijn te kwalificeren als partijdeskundigen.
- 2.5 Door tussenkomst van het IGZ is een extern onderzoek verricht door prof. dr. F.C. Öner (verder: Öner), orthopedisch chirurg, om een onafhankelijke beoordeling te geven “ten aanzien van de in deze casus geleverde kwaliteit en veiligheid van patiëntenzorg”. Öner heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 8 september 2015. Öner kan beschouwd worden als een (van partijen) onafhankelijk deskundige.
- 2.6 Naar aanleiding van de tuchtrechtelijke klacht van [appellant] heeft het RTG op 27 juli 2017 uitspraak gedaan; in hoger beroep heeft het CTG op 26 juni 2018 de beslissing van het RTG in stand gehouden. Zowel het RTG als het CTG hebben de conclusies van Öner gevolgd wat betreft de indicatie voor de operatie.
- 2.7 Tot slot heeft dr. W.L.M. van Hemert (verder: Van Hemert), orthopedisch chirurg, als onafhankelijk, gerechtelijk deskundige een rapport opgemaakt van 11 november 2024.
- 2.8 Öner heeft zijn onderzoek gebaseerd op het medisch dossier van [appellant] en hem zelf niet onderzocht. Van Hemert heeft naast het medisch dossier ook de stukken van deze procedure ontvangen, waaronder het rapport van Öner en de uitspraken van de tuchtcolleges. Ook Van Hemert heeft [appellant] niet zelf onderzocht. Omdat beide deskundigen onafhankelijk van partijen hebben gerapporteerd zal het hof hun opinies als uitgangspunt nemen.
- De indicatiestelling voor de operatie van 27 november 2013
- 2.10Het RTG en CTG sluiten zich bij de visie van Öner aan. Het CTG oordeelt (onder 4.6):
- 2.12 Beziet het hof beide deskundigenberichten dan zijn beide deskundigen het erover eens dat sprake was van een sterk vernauwd wervelkanaal/ernstige stenose op thoracaal niveau. Volgens Van Hemert was er zeker sprake van (preexistente) myelumschade op midcervicaal niveau, maar op thoracaal niveau was er geen (beschreven) myelopathie. Voorts ontbreekt het zijns inziens aan nader neurologisch onderzoek om te kunnen beoordelen of sprake was van een progressieve neurologische stoornis. Öner beschrijft dat sprake was van een aanzienlijke kanaalstenose op laag thoracaal gebied met al een structurele schade op het myelum. Op de MRI was sprake van signaalveranderingen en ook waren er subtiele veranderingen in looppatroon en subjectieve klachten passend bij langebaanverschijnselen. De voorgenomen operatie diende volgens Van Hemert ter behandeling van de vermeende myelopathie (dan wel langebaan verschijnselen) veroorzaakt door de spinaalstenose. Van Hemert vraagt zich dan ook af of [appellant] daar klinisch nu zoveel hinder van ondervond. Öner ziet dat anders en meent dat de ernstige stenose en de myelopathie op thoracaal niveau en de klinische verschijnselen (zo begrijpt het hof) voldoende redenen vormden voor de chirurg ( [de chirurg1] ) om dit probleem te verhelpen (“te attaqueren”).
- 2.13 [appellant] is op advies van de behandelend neuroloog via zijn huisarts verwezen naar de Sint Maartenskliniek. [appellant] had al een medische voorgeschiedenis wat betreft de aandoeningen aan de wervelkolom. In de (eerste) anamnese van 19 april 2013 heeft orthopedisch chirurg [de chirurg2] geschreven dat bij [appellant] sprake was van lage rugklachten, voornamelijk bij starten en bij een onverwachte beweging of zitten, met uitstraling naar het linkerbeen (lateraal). Sporten lukte niet meer. De klachten waren al enkele jaren aanwezig en [appellant] maakte zich zorgen over de toekomst. [de chirurg2] heeft een MRI aangevraagd. Het verslag daarvan van 28 mei 2013 luidt, voor zover hier van belang:
- 2.14 Ter voorbereiding op de operatie heeft [appellant] nog de zogeheten (tweede herziene) Oswestry beperkingen vragenlijst ingevuld met betrekking tot de door hem ervaren klachten. In de uitspraak van het RTG is dat als volgt beschreven:
Bij dit soort operaties is bij welke techniek dan ook de kans op complicaties aanzienlijk. Het ruggenmergkanaal is een gesloten ruimte en de ring van de lamina moet gebroken worden voordat er überhaupt enige ruimte ontstaat. In deze fase is er onvermijdelijk enige mechanische manipulatie van de duraalzak en het myelum. Dit is de periode die de meeste gevaren oplevert. Er is geen enkele andere manier om dit uit te voeren. (…) De operatie is uitgevoerd zoals gebruikelijk onder algehele narcose en neuromonitoring. De operatie is uitgevoerd door een zeer ervaren spinale chirurg. Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake was van een technische tekortkoming.Bij het begin van de decompressie is er een uitval ontstaan van de neuromonitoring. Dit is waarschijnlijk een gevolg van de verstoring van het precaire evenwicht in het zieke myelum bij een combinatie van de operatie, narcose en buikligging. Bij zelfs de geringste manipulatie kan onder deze omstandigheden een uitval ontstaan. Deze werd onmiddellijk gezien bij de neuromonitoring. Op dat moment moest de chirurg een beslissing nemen om de operatie door te laten gaan of niet. De operatie staken op dat moment zou waarschijnlijk geen verbetering geven aan de toestand. Dan was het zelfs waarschijnlijk risicovoller. Daarom heeft de chirurg een juiste beslissing genomen om de decompressie uit te voeren. Tegelijkertijd is er ook begonnen met een hoge dosis corticosteroïden om het ruggenmerg te beschermen. (…) Deze gehele gang van zaken vind ik absoluut passend bij de state-of-the-art handelen. Er was sprake van een hoge risico patiënt die onder de meest optimale omstandigheden is geopereerd door een ervaren chirurg en er is op een adequate manier gereageerd op de ontstane situatie.
Bij deze betwiste operatie is er zeker gebruik gemaakt van een beitel, maar dan om de facetten te verwijderen. Dit valt goed op te maken uit de aantekeningen van de operateur na het familiegesprek (15-01-2014). Vandaar uit is met ‘gebruikelijke instrumenten (Hajek)’ gewerkt om de lamina te verwijderen en het kanaal te openen. Niets wijst erop dat de operateur direct op de lamina heeft geslagen om zodoende zich toegang tot het wervelkanaal te verschaffen. (…) Uit het operatieverslag of andere feiten blijkt niet dat tijdens de decompressie van het wervelkanaal een beitel is gebruikt.
De bewuste botsplinter waar het hier om draait is een stukje bot dat verkregen is uit de decompressie en past bij het teruggelegde autologe bot ter verkrijging van de spondylodese. (…) De botstukjes liggen posterolateraal waar een botgraft hoort te liggen bij een dorsale spondylodese. Het is niet een splinter of botfragment die zou zijn ontstaan door onvoorzichtig werken. Ook al ligt dit vlakbij of zelfs tegen de dura, het botfragment veroorzaakt geen compressie. Dit is een normale bevinding.
heeft uitgevoerd: Klager stelt op basis van de opname van het gesprek met verweerder op 15 januari 2014 en de aantekeningen daarvan in het dossier dat verweerder tijdens de decompressie een beitel heeft gebruikt op het ernstig beknelde zenuwkanaal. Verweerder heeft echter toegelicht dat hij alleen een beitel heeft gebruikt om toegang naar het ruggenmerg van lateraal uit met andere instrumenten mogelijk te maken; bij het verrichten van de decompressie heeft hij naar zijn zeggen beslist geen gebruik van een beitel gemaakt. Naar het oordeel van het college kan uit hetgeen verweerder tijdens het gesprek op 15 januari 2014 heeft verteld niet worden afgeleid dat dit anders is geweest. Verweerder heeft uitgelegd dat eerst de schroeven zijn geplaatst en daarna met de decompressie is gestart, waarbij de tip van het facet is weggebeiteld om daarna met de 2 mm Hajek (een chirurgisch instrument) vanuit lateraal de lamina (wervelboog) te kunnen doornemen; nog voor zij in het kanaal kwamen, merkten zij dat de signalen quasi volledig waren verdwenen, aldus de uitleg van verweerder. Dit strookt met de lezing dat de beitel alleen voor het verkrijgen van toegang is gebruikt. Het college gaat er dan ook vanuit dat dit zo is gebeurd. Dit is een gebruikelijke en verantwoorde werkwijze. Verweerder heeft hierbij gehandeld conform de professionele maatstaven. De klacht op dit punt acht het college derhalve ongegrond.
- 2.23 Gezien de hierboven weergegeven opinies van de twee onafhankelijk deskundigen en het oordeel van het RTG (en CTG) oordeelt het hof dat de operatie volgens de regelen der kunst is uitgevoerd.
- 2.24Het hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van de Sint Maartenskliniek veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.[i]
- 2.25Het door [appellant] aangeboden bewijs door getuigen(/deskundigen) ziet niet op stellingen die, indien bewezen, tot een andere beslissing van het hof kunnen leiden.
- 3.1 bekrachtigt het eindvonnis van 9 september 2020 en de daarvoor gewezen tussenvonnissen van 11 september 2019, 31 januari 2020 en 11 maart 2020 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem;
- 3.2 veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van de Sint Maartenskliniek:
- 3.3 wijst af wat verder is gevorderd.