Belanghebbende had over de jaren 2010 tot en met 2012 aanzienlijke banktegoeden bij Zwitserse banken niet aangegeven in haar aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV). De Inspecteur legde navorderingsaanslagen en vergrijpboetes van 60% op wegens het niet aangeven van deze buitenlandse tegoeden. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de boetes, waarna de rechtbank de boetes matigde tot respectievelijk 45%, 50% en 45%.
In hoger beroep betwist belanghebbende dat zij opzet had en stelt zij dat de redelijke termijn voor het opleggen van boetes al in 2016 begon te lopen, wat een hogere vermindering van de boetes zou rechtvaardigen. Het hof oordeelt dat belanghebbende zich bewust was van de onjuistheid van de aangiften en de aanmerkelijke kans op te weinig belastingheffing aanvaardde (voorwaardelijk opzet). De redelijke termijn begon pas in 2020, toen het voornemen tot boeteoplegging werd geuit.
Het hof acht de boetes van 60% passend en geboden, gelet op de ernst van het niet aangeven over meerdere jaren, de familieomstandigheden en de latere inkeermelding. De vermindering van 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt gehandhaafd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank gehandhaafd.