Partijen sloten een huurovereenkomst voor een woning en een deel van een aangebouwde landbouwschuur. Huurder stelde dat het huurregime voor woonruimte ook op het deel van de schuur van toepassing moest zijn, maar de kantonrechter wees dit af. Het hof bevestigde deze beslissing na beoordeling van de feiten en het toepasselijke huurregime.
Het hof stelde vast dat het gehuurde uit woonruimte en een deel van schuur A bestond, waarbij het deel van de schuur werd gebruikt voor opslag van landbouwmachines. De schuur was niet exclusief in gebruik van huurder en het niet-verhuurde deel werd ook door verhuurder gebruikt. Het feitelijk en overeengekomen gebruik van de schuur was opslag, niet woonruimte.
Bouwkundig en functioneel zijn woonruimte en schuur onafhankelijk en kunnen ze gesplitst worden zonder nadelige gevolgen voor bruikbaarheid of verhuurbaarheid. Het huurregime voor woonruimte is daarom niet van toepassing op het deel van de schuur. Het hoger beroep van huurder wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.