Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarden van drie onroerende zaken vastgesteld door de heffingsambtenaar van de gemeente Noordoostpolder. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende een immateriële schadevergoeding van €50 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar wees een proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht af.
In hoger beroep stond alleen de hoogte van de immateriële schadevergoeding en de vergoeding van proceskosten en griffierecht ter discussie. Het hof stelde vast dat het griffierecht tijdig was betaald, waardoor het hoger beroep ontvankelijk was. De redelijke termijn was overschreden, waarbij het hof de schadevergoeding verhoogde naar €500, verdeeld over de rechtbank en de heffingsambtenaar.
Daarnaast oordeelde het hof dat op grond van eerdere jurisprudentie het griffierecht en proceskosten vergoed moeten worden aan belanghebbende. De totale proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €1.360,50, die naar rato door de Minister van Justitie en Veiligheid en de heffingsambtenaar gedragen moeten worden.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond, en veroordeelde de partijen tot vergoeding van de schade en kosten. De uitspraak werd gedaan door R.A.V. Boxem, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, op 17 juni 2025.