Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2014 in Syrië gehuwd en in 2024 gescheiden. De vrouw vordert betaling van een bedrag voor haar aandeel in de gezamenlijke woonlasten van juni tot en met november 2023. De rechtbank wees dit verzoek af omdat de man reeds een bedrag had voldaan dat volgens partijen het aandeel dekte.
In hoger beroep stelt de vrouw dat zij de afspraken niet goed begreep en dat de berekening onjuist is, verwijzend naar een afspraak bij een sociale organisatie over maandelijkse betalingen door de man. Het hof oordeelt dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond welk bedrag de man nog verschuldigd zou zijn, mede omdat de afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd en onduidelijk is welke posten zijn meegenomen.
De man verzoekt in incidenteel hoger beroep om terugbetaling door de vrouw, maar het hof verklaart dit verzoek niet-ontvankelijk omdat de man in eerste aanleg geen zelfstandig verzoek heeft ingediend. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de vrouw af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vrouw af en verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn incidenteel hoger beroep.