Uitspraak
1.[appellant] ,
[appellanten]en ieder afzonderlijk
[appellant]en
[appellante],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn buren die elk een deel van een voormalige gemeentelijke groenstrook in eigendom hebben verkregen. Door de splitsing van de groenstrook staan bomen van de ene partij binnen twee meter van de erfgrens van de andere partij. Appellanten vorderden verwijdering van deze bomen op grond van artikel 5:42 BW Pro.
Het hof overweegt dat hoewel bomen binnen twee meter van de erfgrens in beginsel niet zijn toegestaan, hier sprake is van een situatie waarin de erfgrens is verlegd en de bomen al lange tijd stonden met instemming van de voormalige eigenaar, de gemeente. Het hof oordeelt dat het vorderen van verwijdering op deze grond misbruik van recht is.
Daarnaast stelt het hof dat de door appellanten aangevoerde schaduwhinder niet onrechtmatig is in de zin van artikel 5:37 BW Pro, mede omdat zij bewust in een bosrijke omgeving wonen en de hinder beperkt is. De vordering wordt daarom ook op deze grond afgewezen.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellanten tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot verwijdering van bomen binnen twee meter van de erfgrens wordt afgewezen wegens misbruik van recht en het ontbreken van onrechtmatige hinder.